“Geestig” is het infoblad van de Heilige Geest parochie. Het wil informeren maar ook inspiratie bieden, catechese en dialoog. Als parochieblad van de samengevoegde geloofsgemeenschappen van de Heilige Geest parochie wil het recht doen aan deze geloofsgemeenschappen en daarnaast het gevoel van eenheid versterken. Sinds januari 2010 bestaat dit blad en verschijnt 8 x per jaar. Op zo’n 5200 adressen in de Heilige Geest parochie wordt het blad bezorgd. Op zo’n 80% van de adressen gebeurt dit inmiddels door vrijwilligers.

VOOR EN DOOR DE PAROCHIE

Met veel plezier en enthousiasme wordt het blad samengesteld door een redactie die bestaat uit Gerard Geurts, Jan Horck, Marianne Koebrugge, Nathalie Mensink, Henk Ogink, Richard Wermelink en José Cornel. Door het afnemen en uitwerken van interviews, het schrijven van artikelen en het verzorgen van verschillende rubrieken levert ieder zijn of haar bijdrage. Voor de pastorale bijdrage zorgt het pastorale team. Daarnaast voeden de secretariaten van de geloofsgemeenschappen het blad met nieuws en informatie vanuit de gemeenschappen, zenden parochianen hun berichten in en steekt onze vaste columniste Cathinka Bloom in elke uitgave een nieuwe lucifer aan.

Heeft u berichten, tips of ideeën mail het ons.
U kunt hier de laatste uitgave downloaden.

 

Ook uw mening horen we graag

Wij zijn benieuwd naar uw mening over het blad. Wat vindt u leuk? Wat mist u? Waar ergert u zich aan?

Geef uw mening!

Boodschap van hoop van paus Franciscus voor een opgesloten wereld: exclusief interview

Do 9 april 2020

In een exclusief interview in de Tablet zegt paus Franciscus aan Austin Ivereigh dat deze buitengewone vastentijd en paastijd een moment van creativiteit en bekering zouden kunnen zijn voor de Kerk, voor de wereld en voor de hele schepping.

Eind maart stelde ik paus Franciscus voor dat dit misschien een goed moment was om de Engelstalige wereld toe te spreken: de pandemie die Italië en Spanje zo had getroffen, bereikte nu het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië. Zonder iets te beloven, vroeg hij me enkele vragen te stellen. Ik koos zes thema’s, elk met een reeks vragen die hij al dan niet naar eigen keuze kon beantwoorden. Een week later kreeg ik een mededeling dat hij een aantal reflecties had opgetekend als antwoord op de vragen. Het interview werd in het Spaans afgenomen. Austen Ivereigh

De eerste vraag was hoe hij de pandemie en de lockdown beleefde, zowel in de residentie Santa Marta als op grotere schaal in het Vaticaanse bestuur (“de Curie”), zowel praktisch als spiritueel.

Paus Franciscus: De Curie probeert haar werk voort te zetten en normaal te leven, door zich in ploegendienst te organiseren, zodat niet iedereen tegelijk aanwezig is. Het is goed doordacht. We houden ons aan de maatregelen die de gezondheidsautoriteiten hebben opgelegd. Hier in de residentie Santa Marta hebben we nu twee ploegen voor de maaltijden, wat enorm helpt om de gevolgen te verzachten. Iedereen werkt in zijn kantoor of vanuit zijn kamer, met behulp van technologie. Iedereen functioneert, er zijn hier geen werklozen.

Hoe beleef ik dit spiritueel? Ik bid meer, want ik voel dat ik dat hoor te doen. En ik denk aan de mensen. Het zijn zij die me zorgen baren: de mensen. Het aan mensen denken helpt me, het haalt me uit mijn zelfbekommernis. Natuurlijk heb ik mijn egoïstische kanten. Op dinsdag komt mijn biechtvader, en neem ik die dingen met hem op.

Ik denk aan mijn verantwoordelijkheden nu, en wat er daarna komt. Wat zal mijn taak zijn als bisschop van Rome, als hoofd van de Kerk, in de tijd die volgt? Die nasleep openbaart zich nu al als tragisch en pijnlijk, en daarom moeten we er nu over nadenken. Het Vaticaans dicasterie ter Bevordering van Integrale Menselijke Ontwikkeling heeft hier aan gewerkt en met mij vergaderd.

Mijn grootste zorg – althans wat er in mijn gebed naar voor komt – is hoe ik het volk van God kan begeleiden en kan bijstaan. Vandaar de livestreaming van de ochtendmis van 7 uur (ik vier ze elke ochtend) die veel mensen volgen en waarderen, evenals de toespraken die ik heb gegeven, en de speciale zegen op 27 maart op het lege Sint-Pietersplein. Vandaar ook het opvoeren van de activiteiten van de pauselijke liefdadigheidsinstellingen, het verzorgen van de zieken en de hongerigen.
Ik beleef dit als een tijd van grote onzekerheid. Het is een tijd van inventiviteit, van creativiteit.

In mijn tweede vraag verwees ik naar een negentiende-eeuwse roman die paus Franciscus zeer dierbaar is en die hij onlangs heeft genoemd: Alessandro Manzoni’s “De verloofden”. In de roman staat het drama over de pest in Milaan van 1630 centraal. Er zijn verschillende priesterfiguren: de laffe priester Don Abbondio, de heilige kardinaal aartsbisschop Borromeo, en de kapucijner broeders die het lazaret bedienen, een soort veldhospitaal waar de besmette mensen strikt worden gescheiden van de gezonden. Hoe ziet paus Franciscus in het licht van de roman de zending van de Kerk in de context van Covid-19?

Paus Franciscus: Kardinaal Federigo (Borromeo) is een echte held te midden van de Milanese pest. Toch gaat hij in een van de hoofdstukken een dorp begroeten, maar met het raam van zijn koets gesloten om zichzelf te beschermen. Dit kwam niet goed binnen bij de mensen. Het volk van God heeft zijn pastor nodig om dicht bij hen te zijn, niet om zichzelf al te zeer te beschermen. Het volk van God heeft zijn pastores nodig om zich op te offeren zoals de kapucijnen, die dicht bij hen bleven.

De creativiteit van de christen moet zichtbaar worden in het openen van nieuwe horizonten, het openen van vensters, het openen van transcendentie naar God en naar mensen, en in het creëren van nieuwe manieren om thuis te zijn. Het is niet gemakkelijk om je tot je huis te beperken. Wat mij te binnen schiet is een vers van de Aeneis te midden van de nederlaag: de boodschap is niet om op te geven, maar om uzelf te redden voor betere tijden, want in die tijden zal de herinnering aan wat er is gebeurd ons helpen. Zorg voor uzelf met het oog op wat komt.  En als u in de toekomst herinnert wat er is gebeurd, zal dat u ten goede komen.

Zorg voor het nu, in het belang van morgen. Altijd creatief, met een eenvoudige creativiteit, in staat om elke dag iets nieuws te bedenken. Binnenshuis is dat niet moeilijk te ontdekken, maar loop niet weg, vlucht niet in ontsnappingswegen, waar u in deze tijd niets aan hebt.

Mijn derde vraag ging over het regeringsbeleid in antwoord op de crisis. Hoewel het in quarantaine plaatsen van de bevolking een teken is dat sommige regeringen bereid zijn om economisch welzijn op te offeren ten bate van kwetsbare mensen, suggereerde ik dat het ook niveaus van uitsluiting blootlegde die tot nu toe als normaal en aanvaardbaar werden beschouwd.

Paus Franciscus: Het is waar dat een aantal regeringen voorbeeldige maatregelen heeft genomen om de bevolking te beschermen op basis van duidelijke prioriteiten. Maar we realiseren ons dat al ons denken, of we het graag hebben of niet, zicht ontwikkeld heeft in functie van de economie. In de financiële wereld leek het normaal om mensen op te offeren, om een politiek van de wegwerpcultuur te bedrijven, van het begin tot het einde van het leven. Ik denk bijvoorbeeld aan prenatale selectie. Het is tegenwoordig zeer ongewoon om mensen met het syndroom van Down op straat te ontmoeten; als de tomograaf (scan) ze detecteert, worden ze geliquideerd. Er heerst een cultuur van euthanasie, of het nu legaal is of clandestien, waarin de ouderen wel medicatie krijgen, maar slechts in beperkte mate.

Het neomalthusianisme is de ideologie die streeft naar geboortebeperking als middel tot het aanpakken van sociale en economische wantoestanden die volgens de aanhangers van het neomalthusianisme voortspruiten uit overbevolking.
De neomalthusiaanse beweging, die, in tegenstelling tot Thomas Malthus zelf, de wenselijkheid bepleit van de toepassing van anticonceptiemiddelen, ontstond in het tweede kwart van de 19e eeuw in Engeland.In Nederland kwam in 1881 de Nieuw-Malthusiaanse Bond tot stand, die de voorloper was van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming en aan de basis lag van Rutgers WPF.(bron Wikipedia)

Wat me te binnen schiet is de encycliek Humanae Vitae van paus Paulus VI. De grote controverse ging destijds over de anticonceptiepil, maar wat de mensen zich niet realiseerden was de profetische kracht van de encycliek, die het neo-malthusianisme voorspelde dat toen net over de hele wereld op gang kwam. Paulus VI luidde de alarmklok over die golf van neo-malthusianisme. We zien het in de manier waarop mensen worden geselecteerd op hun nut of productiviteit: de wegwerpcultuur.

Op dit moment zijn de daklozen nog steeds dakloos. Laatst verscheen er een foto van een parkeerplaats in Las Vegas waar ze in quarantaine waren geplaatst. En de hotels waren leeg. Maar de daklozen kunnen niet naar een hotel gaan. Dat is de wegwerpcultuur in de praktijk.

Ik was benieuwd of de paus de crisis en de economische ontwrichting die ze veroorzaakt zag als een kans voor een ecologische verandering, voor een herijking van prioriteiten en levensstijlen. Ik vroeg hem uitdrukkelijk of het mogelijk is dat we in de toekomst een economie kunnen aantreffen die – om zijn woorden te gebruiken – meer “menselijk” en minder “vloeiend” is.
Paus Franciscus: Er is een uitdrukking in het Spaans: “God vergeeft altijd, wij vergeven soms, maar de natuur vergeeft nooit.” We hebben niet gereageerd op de tussentijdse rampen. Wie vermeldt nu de branden in Australië, of herinnert zich dat 18 maanden geleden een boot de Noordpool kon oversteken omdat de gletsjers allemaal gesmolten waren? Wie spreekt nu over de overstromingen? Ik weet niet of dit de vergelding van de natuur is, maar het zijn zeker antwoorden van de natuur.

We hebben een selectief geheugen. Ik wil hier even bij stilstaan. Ik was verbaasd over de zeventigste verjaardag van de herdenking van de landing in Normandië. Het was één groot feest. Het is waar dat zij het begin van het einde van de dictatuur inluidde, maar niemand leek zich de 10.000 jongens te herinneren die waren achtergebleven op dat strand.

Toen ik naar Redipuglia ging voor het eeuwfeest van de Eerste Wereldoorlog zag ik een mooi monument en namen op een steen, maar dat was het. Ik huilde, denkend aan de woorden van Benedictus XVI (“zinloos bloedbad”), en hetzelfde gebeurde met mij in Anzio op Allerzielen, denkend aan alle Noord-Amerikaanse soldaten die daar begraven lagen, die elk een familie hadden, en hoe ik een van hen had kunnen zijn.

In deze periode in Europa, waarin we populistische toespraken te horen krijgen en we getuige zijn van dit soort selectieve politieke beslissingen, is het maar al te gemakkelijk om de toespraken van Hitler in 1933 te herinneren, die niet zo verschillend waren van sommige van de toespraken van sommige Europese politici nu.

Wat me te binnen schiet is een ander vers van Vergilius:  (forsan et haec olim meminisse iuvabit) “misschien zal het op een dag ook goed zijn om deze dingen te onthouden”. We moeten ons geheugen hervinden, want het geheugen zal ons ter hulp schieten. Dit is niet de eerste plaag in de geschiedenis; de andere zijn slechts anecdotes geworden. We dienen onze wortels voor de geest te halen, onze traditie die vol zit met herinneringen. In de Geestelijke Oefeningen van de heilige Ignatius wordt de Eerste Week, evenals de “Beschouwing om te komen tot Liefde” in de Vierde Week, volledig in het teken gesteld van de herinnering. Het is een bekering door de herinnering.

Deze crisis raakt ons allemaal, zowel rijk als arm, en zet hypocrisie in de schijnwerpers. Ik maak me zorgen over de hypocrisie van bepaalde politieke persoonlijkheden die spreken over het bestrijden van de crisis, over het probleem van de honger in de wereld, maar die ondertussen wel wapens produceren. Dit is een tijd om ons te verzetten tegen dit soort functionele hypocrisie. Het is een tijd voor integriteit. Of we zijn trouw aan onze overtuigingen of we verliezen alles.

U vraagt me naar het bekeringsproces. Elke crisis bevat zowel gevaar als kans: de kans om uit het onheil te geraken. Ik geloof dat we vandaag de dag onze productie en consumptie moeten afremmen (Laudato Si, 191) en moeten leren de natuurlijke wereld te begrijpen en te overdenken. We moeten opnieuw verbinding maken met onze echte omgeving. Dat is de kans op bekering.

Ja, ik zie al eerste tekenen van een economie die minder vloeiend is, meer menselijk. Maar laten we ons geheugen niet verliezen als dit alles voorbij is, laten we de crisis niet opbergen en terugkeren naar het punt waar we waren. Dit is het moment om de beslissende stap te zetten, om van het gebruik en misbruik van de natuur over te gaan naar het beschouwen ervan. We hebben de contemplatieve dimensie verloren; op dit moment moeten we haar terug zien te vinden.

En nu we het toch over contemplatie hebben, ik wil graag even stilstaan bij één punt. Dit is het moment om de armen te zien. Jezus zegt dat we de armen altijd bij ons zullen hebben, en het is waar. Ze zijn een realiteit die we niet kunnen ontkennen. Maar de armen zijn verborgen, want armoede is beschamend. In Rome zei onlangs, midden in de quarantaine, een politieagent tegen een man: “Je kan niet op straat blijven, ga naar huis.” Het antwoord was: “Ik heb geen huis. Ik woon op straat.” Om zo’n groot aantal mensen te ontdekken die in de marge leven… En we zien ze niet, want armoede is beschamend. Ze zijn er wel, maar we zien ze niet: ze zijn onderdeel geworden van het landschap; ze zijn herleid tot dingen.

De heilige Teresa van Calcutta zag ze, en had de moed om een weg van bekering te gaan. Het “zien” van de armen betekent het herstellen van hun menselijkheid. Ze zijn geen dingen, geen vuilnis, ze zijn mensen. We kunnen geen vrede nemen met een welzijnsbeleid zoals we dat kennen voor geredde dieren. We behandelen de armen vaak als geredde dieren. We kunnen geen vrede nemen met een gedeeltelijk welzijnsbeleid.

Ik durf wat suggesties te geven. Dit is het moment om naar het ondergrondse te gaan. Ik denk aan Dostojevski’s korte roman, Aantekeningen uit het ondergrondse. De medewerkers van dat gevangenisziekenhuis waren zo gewend geraakt dat ze hun arme gevangenen als dingen behandelden. En kijkend naar de manier waarop ze iemand behandelden die net gestorven was, vertelt degene op het bed naast hen: “Genoeg! Hij had ook een moeder!” Dat hebben we onszelf vaak voor te houden: die arme mens had een moeder die hem liefdevol heeft opgevoed. Verderop in het leven weten we niet wat er gebeurd is. Maar het helpt om te denken aan die liefde die hij ooit kreeg door de hoop van zijn moeder.

We verdrijven de armen. We geven ze niet het recht om van hun moeders te dromen. Ze weten niet wat genegenheid is. Velen leven van drugs. En hen ontmoeten, kan ons helpen om de vroomheid te ontdekken, de pietas, die naar God en naar onze naaste wijst.
Daal af in het ondergrondse, en ga van de hyper-virtuele, lichaamsvreemde wereld naar het lijdende lichaam van de armen. Dit is de bekering die we moeten ondergaan. En als we daar niet beginnen, zal er geen bekering zijn.

Ik denk in deze tijd aan de heiligen die in de buurt wonen. Het zijn helden: artsen, vrijwilligers, religieuze zusters, priesters, winkeliers – allemaal doen ze hun plicht zodat de maatschappij kan blijven functioneren. Hoeveel artsen en verplegers zijn er gestorven! Hoeveel religieuze zusters zijn er gestorven! Allemaal al dienend… Wat mij te binnen schiet is iets wat de kleermaker, in mijn ogen een van de meest integere personages in “De verloofde”, heeft gezegd. Hij zegt: “De Heer laat zijn wonderen niet half afgewerkt achter.” Als we ons bewust worden van dit wonder van de heiligen uit de buurt, als we hun spoor kunnen volgen, zal het wonder goed aflopen, in het belang van iedereen. God laat de dingen niet half afgewerkt achter. Wij zijn degenen die dat doen.

Wat we nu beleven is een soort van metanoia (bekering), en we hebben de kans om te beginnen. Dus laten we ze niet uit het oog verliezen, en laten we verder gaan.

Mijn vijfde vraag ging over de gevolgen van de crisis voor de Kerk en de noodzaak om onze werkwijze te herzien. Ziet hij hieruit een Kerk ontstaan die meer missionair is, creatiever, minder gehecht aan instellingen? Zien we een nieuw soort ‘huiskerk’?

“Met gnosticisme bedoelt de paus dat je het intellect te belangrijk maakt. Alsof geloven alleen zou zijn voor een stel ingewijden die het allemaal heel erg goed begrijpen. Of alsof het om het streng hanteren van nauwkeurig vastgestelde regels en wetten zou gaan. Daarin mist hij een houding van barmhartigheid en zachtmoedigheid. Hij lijkt zich hier onder andere tegen kerkelijke hardliners te keren die erg hameren op de liturgische en morele zuiverheid van de kerk.
“Met pelagianisme bedoelt de paus dat je de menselijke wil centraal stelt. Dus dat je denkt dat heilig leven voortkomt uit vooral heel erg hard je best doen. Nee, zegt de paus. We moeten onze eigen beperktheid onder ogen zien en juist zo Gods genade in ons laten werken.
 
Paus Franciscus: Minder gehecht aan instellingen? Ik zou zeggen minder gehecht aan bepaalde denkwijzen. Omdat de Kerk een instelling is. De verleiding is om te dromen van een gedeïnstitutionaliseerde Kerk, een gnostische Kerk zonder instellingen, of een Kerk die onderworpen is aan vaste instellingen, wat een pelagianistische Kerk zou zijn. Degene die de Kerk maakt is de Heilige Geest, die noch gnostisch noch pelagianistisch is. Het is de Heilige Geest die de Kerk institutionaliseert, op een alternatieve, complementaire manier, omdat de Heilige Geest wanorde uitlokt door de charismatische gaven, maar dan uit die wanorde harmonie schept.

Een Kerk die vrij is, is geen anarchistische Kerk, want vrijheid is Gods gave. Een institutionele Kerk betekent een Kerk die geïnstitutionaliseerd is door de Heilige Geest.

Een spanning tussen wanorde en harmonie: dat is de Kerk die uit de crisis dient te komen. We moeten leren leven in een Kerk die bestaat in het spanningsveld tussen harmonie en wanorde, aangedreven door de Heilige Geest. Als u mij vraagt welk theologisch boek u het beste kan helpen om dit te begrijpen, dan zou het de Handelingen van de Apostelen zijn. Daar zult u zien hoe de Heilige Geest datgene wat niet meer van nut is, deïnstitutionaliseert en de toekomst van de Kerk institutionaliseert. Dat is de Kerk die uit de crisis kan komen.

Ongeveer een week geleden belde een Italiaanse bisschop, die enigszins in de war was, mij op. Hij had de ziekenhuizen rondgereisd om de absolutie te geven aan de mensen die in de ziekenzalen op de afdelingen van het ziekenhuis verbleven. Maar hij had met de kerkelijke advocaten gesproken die hem hadden gezegd dat hij dat niet mocht doen, dat de absolutie alleen in persoonlijk contact kon worden gegeven. “Wat denkt u, Vader?’ vroeg hij mij. Ik heb het hem verteld: “Bisschop, vervul uw priesterlijke plicht.” En de bisschop zei Grazie, ho capito (“Dank u, ik snap het”). Later vernam ik dat hij overal de absolutie gaf.

Dit is de vrijheid van de Geest te midden van een crisis, niet een Kerk die in instituten is opgesloten. Dat betekent niet dat het canoniek recht niet belangrijk is: dat is het wel, het helpt, en laten we er alstublieft goed gebruik van maken, het is voor ons welzijn. Maar de laatste canon zegt dat het hele canonieke recht voor het heil van de zielen is, en dat is wat de deur voor ons opent om in moeilijke tijden naar buiten te gaan om de vertroosting van God te brengen.

U vraagt me naar een “huiskerk”. We moeten met al onze creativiteit reageren op ons isolement. We kunnen ofwel depressief en vervreemd raken – via de media die ons uit onze realiteit kunnen halen – of we kunnen creatief worden. Thuis hebben we behoefte aan een apostolische creativiteit, een creativiteit die ontdaan is van zoveel nutteloze dingen, maar met een verlangen om ons geloof in gemeenschap uit te drukken, als het volk van God. Dus: in lockdown zijn, maar hunkerend, met de herinnering die verlangt en hoop geeft – dat is wat ons zal helpen om aan ons isolement te ontsnappen.

Tot slot vroeg ik paus Franciscus hoe wij geroepen zijn om deze buitengewone vastentijd en paastijd te beleven. Ik vroeg hem of hij een bijzondere boodschap had voor de ouderen die zich in een isolement bevinden, voor de geïsoleerde jongeren en voor degenen die als gevolg van de crisis in armoede leven.

Paus Franciscus: U spreekt over de geïsoleerde ouderen: eenzaamheid en afstand. Hoeveel ouderen zijn er waarvan de kinderen in normale tijden niet op bezoek gaan! Ik herinner me dat ik in Buenos Aires de bejaardentehuizen bezocht, ik zou het ze vragen: en hoe gaat het met je familie? Prima, prima! Komen ze? Ja, altijd! Dan nam de verpleegster me aan de kant en zei dat de kinderen in zes maanden niet waren geweest. Eenzaamheid en verlatenheid… afstand.

Toch blijven de ouderen onze wortels. En ze moeten met de jongeren spreken. Deze spanning tussen jong en oud moet altijd worden opgelost in de ontmoeting met elkaar. Want de jongeren zijn knop en gebladerte, maar zonder wortels kunnen ze geen vruchten dragen. De ouderen zijn de wortels. Ik zou vandaag tegen hen willen zeggen: ik weet dat u het gevoel heeft dat de dood dichtbij is, en dat u bang bent, maar kijk elders, denk aan uw kinderen, en stop niet met dromen. Dit is wat God van u vraagt: droom (Joël 3:1).

Wat zou ik tegen de jongeren zeggen? Heb de moed om vooruit te kijken en profetisch te zijn. Moge de dromen van de ouderen overeenkomen met uw verwachtingen – ook Joël 3:1.

Degenen die door de crisis verarmd zijn geraakt, zijn de armen van vandaag, die worden toegevoegd aan de massa’s armen van alle tijden, mannen en vrouwen die “beroofd” zijn van hun waardigheid. Ze hebben alles verloren, of ze gaan alles verliezen. Wat betekent ontbering voor mij, in het licht van het Evangelie? Het betekent het de wereld van de behoeftigen binnen te gaan, te begrijpen dat hij niet langer heeft wat hij ooit bezat.  Wat ik van de mensen vraag is dat ze de ouderen en de jongeren onder hun hoede nemen, dat ze de geschiedenis onder hun hoede nemen, de behoeftigen onder hun hoede nemen.

Wat nu in mijn gedachten komt is een ander vers van Vergilius, aan het eind van het tweede boek van de Aeneis, wanneer Aeneas, na de nederlaag in Troje, alles heeft verloren. Er liggen twee wegen voor hem open: daar blijven om te wenen en zijn leven te beëindigen, of volgen wat er in zijn hart leeft, naar de berg gaan en de oorlog achter zich laten. Het is een prachtig gedicht. Cessi, et sublato montem genitore petivi (“Ik heb plaats geruimd voor het lot en, met mijn vader op mijn schouders, ben ik naar de berg gegaan”).

Dit is wat we nu allemaal te doen hebben, vandaag de dag: de wortels van onze tradities meenemen en de berg beklimmen.

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 5 2020


JEZUS CHRISTUS IS VERREZEN! – HIJ IS WAARLIJK VERREZEN!

Voorafgaand aan de zegen “Urbi et Orbi” Pasen 2020 – bij het Altaar van de Confessio in de Sint Pietersbasiliek
1
Dierbare broeders en zusters, een zalig Pasen!
De verkondiging van de Kerk weerklinkt vandaag in de hele wereld: Jezus Christus is verrezen! – Hij is waarlijk verrezen!
Als een nieuwe vlam ontspringt dit Goede Nieuws in de nacht: de nacht van een wereld die al geconfronteerd werd met historische uitdagingen en nu wordt getroffen door een pandemie, die onze hele menselijke familie zwaar op de proef stelt. In deze nacht klinkt de stem van de kerk: ‘Christus, mijn hoop, is verrezen!’
1
2
Dit is een andere ‘besmetting’, een boodschap die van hart tot hart wordt overgebracht – want elk menselijk hart wacht dit Goede Nieuws. Het is de besmetting van de hoop: ‘Christus, mijn hoop, is verrezen!’ Dit is geen magische formule die problemen doet verdwijnen. Nee, de verrijzenis van Christus is dat niet. Het is de overwinning van de liefde op de wortel van het kwaad, een overwinning die het lijden en de dood niet ‘omzeilt’, maar erdoorheen gaat, een weg opent in de afgrond, het kwaad in het goede verandert: dit is het unieke kenmerk van de kracht van God.
3
De Verrezen Heer is ook de Gekruisigde, niet iemand anders. In zijn glorieuze lichaam draagt hij onuitwisbare wonden: wonden die tot vensters van hoop zijn geworden. Laten we onze blik op Hem richten, zodat Hij de wonden van een geteisterde mensheid kan genezen.
4
Mijn gedachten gaan vandaag in de eerste plaats uit naar de velen die rechtstreeks door het coronavirus zijn getroffen: de zieken, de gestorvenen en de familieleden die rouwen om het verlies van hun dierbaren, van wie zij in sommige gevallen zelfs geen definitief afscheid hebben kunnen nemen. Moge de Heer van het leven de overledenen verwelkomen in zijn koninkrijk, en troost en hoop geven aan hen die nog steeds lijden, vooral de ouderen en degenen die alleen zijn. Moge Hij nooit zijn troost en hulp ontnemen aan mensen die bijzonder kwetsbaar zijn, zoals mensen die in verpleeghuizen werken of in kazernes en gevangenissen wonen. Voor velen is dit een Pasen van eenzaamheid, beleefd te midden van het verdriet en de ontberingen die de pandemie veroorzaakt, van lichamelijk leed tot economische moeilijkheden.
5
Deze ziekte heeft ons niet alleen de menselijke nabijheid ontnomen, maar ook de mogelijkheid om de vertroosting die voortvloeit uit de sacramenten, met name de eucharistie en de verzoening, persoonlijk te ontvangen. In veel landen is het niet mogelijk geweest daartoe te naderen, maar de Heer heeft ons niet alleen gelaten! Verenigd in ons gebed zijn we ervan overtuigd dat Hij zijn hand op ons heeft gelegd
2
en ons krachtig heeft gerustgesteld: Wees niet bang: ‘Ik ben verrezen en ik ben nog steeds bij jullie!’
3
6
Moge Jezus, ons Paaslam, kracht en hoop geven aan artsen en verpleegkundigen, die overal getuigenis afleggen van zorg en liefde voor onze naasten, tot het punt van uitputting en niet zelden ten koste van hun eigen gezondheid. Onze dankbaarheid en genegenheid gaat uit naar hen, naar allen die ijverig werken aan het garanderen van de essentiële diensten die nodig zijn voor de burgermaatschappij, en naar de wetshandhavers en de militairen die in veel landen hebben geholpen de moeilijkheden en het lijden van de mensen te verlichten.
7
In deze weken is het leven van miljoenen mensen plotseling veranderd. Voor velen is het thuisblijven een gelegenheid geweest om na te denken, zich terug te trekken uit het hectische levensritme, bij geliefden te blijven en van hun gezelschap te genieten. Voor velen is dit echter ook een tijd van zorgen over een onzekere toekomst, over banen die op de tocht staan en over andere gevolgen van de huidige crisis. Ik moedig politieke leiders aan zich actief in te zetten voor het algemeen belang, om de middelen te verschaffen die nodig zijn om iedereen in staat te stellen een waardig leven te leiden en om, wanneer de omstandigheden het toelaten, hen te helpen bij het hervatten van hun normale dagelijkse activiteiten.
8
Dit is geen tijd voor onverschilligheid, want de hele wereld lijdt en moet de pandemie eensgezind tegemoet treden. Moge de verrezen Jezus hoop geven aan alle armen, aan hen die in de periferie leven, aan de vluchtelingen en aan de daklozen. Moge deze mensen, de meest kwetsbare van onze broeders en zusters die in de steden en de periferie van elk deel van de wereld leven, niet in de steek worden gelaten. Laten we ervoor zorgen dat het hun niet ontbreekt aan basisbehoeften (die des te moeilijker te vinden zijn nu veel bedrijven gesloten zijn), zoals medicijnen en vooral de mogelijkheid van adequate gezondheidszorg. Moge de internationale sancties in het licht van de huidige omstandigheden worden versoepeld, aangezien zij het voor de landen waaraan zij zijn opgelegd, moeilijk maken om hun burgers voldoende steun te bieden, en mogen alle landen in staat worden gesteld om in de grootste behoeften van het moment te voorzien door de vermindering, zo niet de kwijtschelding, van de schuldenlast op de balansen van de armste landen.
9
Dit is geen tijd voor egocentrisme, want de uitdaging waar we voor staan wordt door iedereen gedeeld, zonder onderscheid te maken tussen personen. Van de vele gebieden in de wereld die door het coronavirus worden getroffen, denk ik op een bijzondere manier aan Europa. Na de Tweede Wereldoorlog kon dit geliefde continent weer opstaan, dankzij een concrete geest van solidariteit die het in staat stelde de rivaliteit van het verleden te overwinnen. Het is dringender dan ooit, vooral in de huidige omstandigheden, dat deze rivaliteit niet terugkomt, maar dat iedereen zich herkent als deel van één familie en elkaar steunt. De Europese Unie staat op dit moment voor een grote uitdaging, waarvan niet alleen haar toekomst, maar die van de hele wereld zal afhangen. Laten we de gelegenheid niet onbenut laten om nog meer blijk te geven van solidariteit, ook door ons te richten op innovatieve oplossingen. Het enige alternatief is het egoïsme van bepaalde belangen en de verleiding om terug te keren naar het verleden, met het risico dat het vreedzaam samenleven en de ontwikkeling van toekomstige generaties ernstig worden geschaad.
10
Dit is geen tijd voor verdeeldheid. Moge Christus onze vrede iedereen die verantwoordelijkheid heeft in conflicten, verlichten, zodat zij de moed hebben om de oproep tot een onmiddellijk wereldwijd staakt-het-vuren in alle uithoeken van de wereld te ondersteunen. Dit is niet het moment om verder te gaan met de productie van en handel in wapens, om enorme hoeveelheden geld uit te geven die gebruikt zouden moeten worden om voor anderen te zorgen en levens te redden. Misschien is dit wel het moment om eindelijk een einde te maken aan de lange oorlog die zo’n groot bloedvergieten heeft veroorzaakt in Syrië, het conflict in Jemen en de vijandelijkheden in Irak en Libanon. Moge dit het moment zijn waarop Israëli’s en Palestijnen de dialoog hervatten om een stabiele en duurzame oplossing te vinden die beide partijen in staat stelt in vrede te leven. Moge er een einde komen aan het lijden van de mensen die in de oostelijke regio’s van Oekraïne wonen. Moge er een einde komen aan de terroristische aanslagen op zoveel onschuldige mensen in verschillende Afrikaanse landen.
11
Dit is geen tijd voor vergetelheid. De crisis waar we mee te maken hebben mag ons niet doen vergeten dat er nog vele andere crises zijn, waardoor zoveel mensen te lijden hebben. Moge de Heer van het leven dicht bij alle mensen in Azië en Afrika staan die een ernstige humanitaire crisis doormaken, zoals in de provincie Cabo Delgado in het noorden van Mozambique. Moge Hij de harten verwarmen van de vele vluchtelingen die door oorlogen, droogte en hongersnood ontheemd zijn geraakt. Moge Hij bescherming bieden aan migranten en vluchtelingen, onder wie veel kinderen, die onder ondraaglijke omstandigheden leven, vooral in Libië en aan de grens tussen Griekenland en Turkije. Moge Hij in Venezuela concrete en onmiddellijke oplossingen mogelijk maken waarmee internationale hulp kan worden verleend aan een bevolking die lijdt onder de ernstige politieke, sociaal-economische en gezondheidssituatie.
12
Dierbare broeders en zusters
Onverschilligheid, egocentrisme, verdeeldheid en vergetelheid zijn geen woorden die we op dit moment willen horen. We willen deze woorden voor altijd uitbannen! Ze lijken te zegevieren wanneer angst en dood ons overweldigen, dat wil zeggen wanneer we de Heer Jezus niet laten zegevieren in ons hart en ons leven. Moge Christus, die de dood al heeft verslagen en voor ons de weg naar het eeuwige heil heeft geopend, de duisternis van onze lijdende mensheid verdrijven en ons naar het licht van zijn glorieuze dag leiden, een dag die geen einde kent.
Met deze overwegingen wil ik u allen een gelukkig Pasen toewensen
Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 4 2020


ZICH KUNNEN VERWONDEREN BEVORDERT DE RELIGIEUZE ERVARING
Feest van de Opdracht van de Heer – Maria lichtmis – Sint Pietersplein

(Soort document: Paus Franciscus – Angelus/Regina Caeli)
Paus Franciscus – 2 februari 2020
1
Dierbare broeders en zusters,
Vandaag vieren wij het feest van de Opdracht van de Heer: de pasgeboren Jezus die door de Maagd Maria en de heilige Jozef opgedragen werd in de Tempel. De dag van het godgewijd leven valt ook op deze dag, en herinnert aan de grote schat in de Kerk van hen die de Heer van nabij volgen door de evangelische raden.
Het Evangelie (Lc. 2, 22-40) vertelt dat het Kind veertig dagen na Zijn geboorte, door Zijn ouders naar Jeruzalem gebracht wordt, om het toe te wijden aan God, zoals de joodse Wet het voorschrijft. In de beschrijving van het traditionele ritueel, vestigt dit gebeuren onze aandacht op het voorbeeld van bepaalde personen. Zij worden gegrepen op het ogenblik dat zij de Heer ontmoeten daar waar Hij aanwezig komt en dicht bij de mensen is.Het zijn Maria en Jozef, Simeon en Hanna, die een voorbeeld zijn van onthaal en van de gave van zijn leven aan God. Deze vier waren niet gelijk, zij waren totaal verschillend, maar zochten allemaal God en lieten zich leiden door de Heer. De evangelist Lucas beschrijft hen in een dubbele houding: een houding van beweging en een houding van verbazing.

2
De eerste houding is beweging. Maria en Jozef gaan op weg naar Jeruzalem; Simeon wordt gedreven door de Geest en gaat naar de Tempel, terwijl Hanna
God onophoudelijk dient, dag en nacht. Zo tonen de vier protagonisten van deze passage uit het Evangelie, dat het christenleven dynamisme vraagt en de wil om op weg te gaan onder leiding van de Heilige Geest. Immobilisme past niet bij het christelijk getuigenis noch bij de zending van de Kerk. De wereld heeft christenen nodig die zich in beweging laten brengen, die het niet moe worden de wegen van het leven op te gaan, om aan iedereen het troostvolle woord van Jezus te brengen. Elke gedoopte heeft de roeping van de verkondiging gekregen, een zending om te evangeliseren! Parochies en kerkgemeenschappen zijn geroepen om het engagement van jongeren, gezinnen en bejaarden aan te moedigen, zodat iedereen een christelijke ervaring kan opdoen en het leven en de zending van de Kerk op de voorlinie kan meemaken.

3
De tweede houding waarin de heilige Lucas de vier personen van het verhaal toont, is verbazing. Maria en Jozef “stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd” (Lc. 2, 33). Verbazing is ook de uitdrukkelijke reactie van de oude Simeon, die in het Kind Jezus met eigen ogen het heil ziet dat God voor Zijn volk bewerkt: het heil dat hij al jaren verwachtte. En hetzelfde geldt voor Hanna, die God dankte Vgl. Lc. 2, 38 en de mensen over Jezus sprak. Het was een heilig gesprek, zij sprak goed, zij sprak over goede dingen, niet over slechte. Zij sprak, zij verkondigde: een heilige die van de ene vrouw naar de andere ging om hen Jezus te laten zien.

4
Deze gelovige figuren zijn door verbazing geslagen, omdat zij zich laten grijpen en betrekken bij de gebeurtenissen die zich voor hun ogen afspelen. Ons kunnen verbazen over de dingen rondom ons, werkt de religieuze ervaring in de hand en maakt de ontmoeting met de Heer vruchtbaar. De onbekwaamheid omons te verwonderen, maakt ons integendeel onverschillig en vergroot de afstand tussen de weg van het geloof en van het dagelijks leven.
Moge de Maagd Maria ons helpen elke dag in Jezus Gods gave voor ons te zien, en ons door Hem te laten impliceren in de beweging van de gave, met blije verbazing, zodat heel ons leven een lofzang wordt tot God, ten dienste van onze broeders.

Na het bidden van het Angelus
5
Vandaag, op deze Werelddag van het Godgewijde Leven, zou ik willen dat we op dit plein, allemaal samen bidden voor alle mannelijke en vrouwelijke godgewijden die zo veel werk verrichten en zo dikwijls in het verborgene. Bidden wij samen.
{Wees gegroet}

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 3 2020


Beste lieve mensen van de H. Geestparochie,

Maandagnacht 28 januari jl. vertrok ik naar Schiphol om een week lang ‘mijn’ arme vrienden in Gambia te bezoeken. Het was de vijfde keer dat ik ging. Na een tussenstop in Dakar in Senegal vloog de Boeing 737 door naar de luchthaven in Banjul, de hoofdstad van Gambia. Na een veilige vlucht kwam ik aan in Gambia met een temperatuur van 33 graden Celsius. En dan te bedenken dat het daar winter is! De hele week was het 33 tot 36 graden. Toen per bus naar mijn hotel. Vervolgens daar enige tijd gerust. Rond zes uur in de namiddag trof ik mijn eerste vrienden bij de ingang van het hotel. Ik nam ze mee naar een restaurant in de buurt en daar hebben we samen lekker gegeten.

De dagen daarna heb ik besteed aan het bezoeken van de vijf families daar die ik financieel ondersteun. Ongeveer zes jaar geleden ben ik daar voorzichtig mee begonnen. Eerst contact via WhatsApp en Skype. Na 1 jaar ben ik ze voor het eerst gaan bezoeken om met eigen ogen de armoede te zien en hoe ze daar concreet leven en wonen. Aanvankelijk was ik diep geschokt door de verschrikkelijke omstandigheden! Maar ook stond ik versteld van de mentale kracht van deze mensen. Kortom, met deze €5000 op zak bezocht ik eerst de meest behoeftige mensen. Ouders met vijf kinderen, zeer arm, met een krot op instorten. Een nieuw te bouwen ‘huisje’ gaat minstens €2000 kosten. Die heb ik ze gegeven en ze gaan daar mee aan de slag. Hun dankbaarheid was groot en ze weten echt niet hoe ze je moeten bedanken. Maar aan u allen moest ik hun dank overbrengen, dus bij deze. Verder heb ik voor dezelfde familie een paar schapen gekocht op de veemarkt. Een tweede familie betreft een zwaar gehandicapte man die ook nog een jongere broer heeft die kortgeleden voor het eerst vader is geworden. Die zou een autootje kunnen kopen en als taxichauffeur wat geld kunnen verdienen voor hun onderhoud. €1000 heb ik ze gegeven en zo hopen ze een autootje te kunnen kopen daar. Blije gezichten! De andere €2000 heb ik verdeeld over de drie andere families voor hun dagelijkse onderhoud zoals eten en drinken, huur en elektriciteit, medicijnen, doktersbezoek, kleding etc.

Buiten deze vijf families kwam ik onderweg heel veel gehandicapte mensen tegen langs de weg, zittend in een rolstoel (vaak door Nederland geschonken). Ook die heb ik regelmatig enig geld in de handen gestopt. En dan ben je er doorheen voordat je het weet. Al met al heb ik kunnen doen wat ik wilde en wat mij goed dunkte. Van hen allen mocht ik niet vergeten om u allen heel hartelijk te danken voor uw bijdrage.

Diep ontroerd was ik om te zien en te voelen hoe dankbaar ze hiervoor waren. Sommigen vertelden mij dat hun leven totaal was veranderd door de financiële steun die ze van mij al die jaren kregen. “Misschien had ik al lang niet meer geleefd als ik niet jouw steun had ondervonden”, vertrouwden twee mensen mij toe. ”Jij bent een onderdeel van onze familie geworden en Gambia is jouw tweede thuisland,” kreeg ik meerdere keren te horen. Het waren korte bezoeken. Het was voor mij te warm en te vermoeiend om daar uren door te brengen. Dit keer voelde ik meer dan ooit dat mijn leeftijd en de warmte mij parten speelde. En natuurlijk ging ik elke avond met een paar vertegenwoordigers van deze families eten in een Gambiaans restaurant. Wat een foto’s heb ik moeten maken van al deze vrienden met een bord vol lekker eten. Natuurlijk om aan hun families te laten zien wat ze gegeten hadden. Feest voor hen!

De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik vertrouwd ben geraakt met hen de jaren door. Loslaten in de toekomst is voor mij zo goed als onmogelijk. Het afscheid was zwaar voor hen, en voor mij. Emoties gaan je parten spelen. Maar met een warm gevoel, vermoeid maar voldaan, ben ik na een week teruggekeerd naar huis. Na een reis van 11 uur was ik ’s nachts om 2 uur weer thuis. Slecht geslapen de eerste nacht thuis. Maar we houden contact met elkaar via WhatsApp. Ze zullen mij op de hoogte houden van de ontwikkelingen. Daarom lieve mensen van de H. Geestparochie, nogmaals mijn hartelijke dank voor uw steun. En bij deze breng ik dan nogmaals de dank over aan u allen die meegeholpen hebben om het leven van deze mensen wat te verlichten.

Een hartelijke groet van hen allen en van mij,

Pater Rinus van der Vegt

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 2 2020


“DE BEVOLKING BETOONDE ZICH JEGENS ONS BUITENGEWOON VRIENDELIJK” (HAND. 28, 2)

Over de gebedsweek voor de eenheid van de Christenen
Paus Franciscus – 22 januari 2020

1
Geliefde broeders en zusters, goedendag!
De catechese sluit vandaag aan bij de Gebedsweek voor de eenheid van de Christenen. Dit jaar is het thema de gastvrijheid. Het werd uitgewerkt door de geloofsgemeenschap van Malta en Gozo. Uitgangspunt is het verhaal van de Handelingen van de Apostelen over de gastvrijheid die de bewoners van Malta betoonden aan Paulus en aan zijn reisgezellen die samen met hem schipbreukelingen waren. Het was op dit voorval dat ik tijdens de Paus Franciscus – Audiëntie
Handelingen 19. “Niemands leven zal verloren gaan” (Hand. 27, 22). De beproeving van de schipbreuk: over de redding door God en de gastvrijheid van de Maltezen
Catechesereeks over de Handelingen van de Apostelen – Aula Paulus VI
(8 januari 2020) twee weken geleden zinspeelde.

2
We beginnen dus bij die dramatische ervaring van de schipbreuk. De boot waarmee Paulus reist is speelbal van de elementen. Reeds twee weken zijn ze op zee, op drift. Sterren en zon zijn onzichtbaar. De reizigers voelen zich gedesoriënteerd, verloren. De zee beukt op het schip en zij vrezen dat het zal versplinterd worden door het geweld van de golven. Ze worden gegeseld door wind en regen. De kracht van zee en storm is angstwekkend groot en helemaal niet bekommerd om het lot van de opvarenden. Ze waren met meer dan 260!
Paulus weet dat het lot anders zal zijn. Hij neemt het woord. Het geloof zegt hem dat het leven in de handen is van de God die Jezus uit de doden heeft opgewekt en die Paulus geroepen heeft om het Evangelie te brengen tot de uiteinden van de aarde. Zijn geloof zegt hem ook dat God, zoals door Jezus geopenbaard, een liefdevolle Vader is. Daarom richt Paulus zich tot zijn reisgenoten en verkondigt hen, geïnspireerd door het geloof, dat geen haar op hun hoofd zal verloren gaan.
De voorspelling wordt bewaarheid wanneer het schip strandt op de kust van Malta en alle opvarenden gezond en wel het vasteland bereiken. Hier ervaren ze iets nieuws. In tegenstelling tot het brutale geweld van de zee tijdens de storm, krijgen ze een zeldzaam getuigenis van “uitzonderlijke menselijkheid” vanwege de bewoners van het eiland. Deze mensen, vreemd voor hen, tonen zich bezorgd om hun noden. Ze steken een vuur aan zodat ze zich kunnen verwarmen. Ze zorgen voor beschutting tegen de regen en voor voedsel. Ook al hebben ze de Blijde Boodschap van Christus nog niet ontvangen, toch getuigen ze van Gods liefde door concrete daden van vriendelijkheid. Immers, de spontane gastvrijheid en het zorgend optreden maken iets duidelijk van Gods liefde. De gastvrijheid van de Maltezer eilandbewoners wordt beantwoord met wonderbaarlijke genezingen die God door Paulus op het eiland bewerkt. Met andere woorden, zoals de mensen op Malta een teken van Gods voorzienigheid voor de Apostel waren, zo was ook hij voor hen een getuigen van Gods barmhartige liefde.

3
Dierbaren, gastvrijheid is belangrijk. Het is ook een belangrijke oecumenische deugd. Het betekent op de eerste plaats erkennen dat de andere Christenen werkelijk onze broeders en zusters in Christus zijn. We zijn broeders. Misschien werpt iemand op: “Maar die is protestant, en deze is orthodox…” Inderdaad, maar in Christus zijn we allen broeders. Het is geen eenrichting mildheid. Want, wanneer we andere Christenen gastvrij onthalen, dan ontvangen we hen als een geschenk dat wij krijgen. Zoals die Maltezen – ze zijn dapper die Maltezen –  worden we beloond, want we ontvangen wat de Heilige Geest in deze broeders en zusters heeft gezaaid. Dat wordt voor ons een geschenk, want de Heilige Geest zaait zijn gaven overal. Christenen van een andere traditie onthalen betekent op de eerste plaats Gods liefde aan hen betonen. Ze zijn kinderen van God – onze broeders –  en bovendien betekent het ontvankelijk zijn voor wat God in hun leven heeft bewerkt. Oecumenische gastvrijheid vraagt om beschikbaarheid om de anderen te horen door aandacht te hebben voor hun persoonlijk geloofsverhaal en voor het verhaal van hun gemeenschap. Een geloofsgemeenschap met een andere traditie dan de onze. Oecumenische gastvrijheid betekent ook, het verlangen om de Godservaring van andere Christenen te leren kennen en open te staan voor de geestelijke vruchten die eruit voortvloeien. Dat is genade. Dit ontdekken is een genade. Ik denk aan het verleden, in mijn land bijvoorbeeld. Toen enkele evangelische missionarissen aankwamen, stak een groepje katholieken hun tenten in brand. Dat is niet christelijk. We zijn broeders, allen zijn we broeders en daarom moeten we gastvrij zijn voor de ander.

4
Ook vandaag is deze zee, waarop Paulus en zijn gezellen schipbreuk leden, een gevaarlijke plaats voor andere opvarenden. Overal ter wereld ondernemen migranten, mannen en vrouwen, gevaarlijke reizen om te ontsnappen aan het geweld, om te ontkomen aan oorlog, om armoede te ontvluchten. Zoals Paulus en zijn gezellen ervaren zij de onverschilligheid, de vijandigheid van de woestijn, van stromen en zeeën….Vaak kunnen ze niet aanleggen in havens. Spijtig genoeg ervaren ze ook de slechtere vijandigheid van mensen. Ze worden door misdadige smokkelaars uitgebuit. Vandaag! Door sommige overheden worden ze behandeld als nummers, als een bedreiging. Vandaag! Soms werpt de ongastvrijheid hen als een golf terug naar de armoede of naar de gevaren waaraan ze ontsnapt waren.

5
Wij, Christenen, moeten samenwerken om aan de migranten de liefde van God, geopenbaard door Jezus Christus, te tonen. We moeten en kunnen getuigen dat niet slechts vijandschap en onverschilligheid bestaat, maar dat elke persoon voor God kostbaar is en door God wordt bemind. De verdeeldheid die onder ons nog bestaat, verhindert dat we voluit teken van Gods liefde zijn. Samenwerken om de oecumenische gastvrijheid te beleven, bijzonder ten aanzien van hen wier leven kwetsbaar is, zal van ons Christenen – protestanten, orthodoxen, katholieken, alle Christenen – betere mensen maken, betere leerlingen en een meer verenigd christelijk volk. Het zal ons dichter brengen bij de eenheid die de wil van God voor ons is.

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 2 2020


Nieuwsbrief Maliproject november 2019

Beste Maliproject -vrienden,

Het afgelopen jaar is een moeilijk jaar geworden voor het scholenproject: Mali, een land in beroering.
Op de overheidsscholen is er door stakingen van het onderwijzend personeel heel weinig les gegeven in 2018/2019 en via Casper Jansen en M’Bimba Dembelé kwamen de verhalen naar ons toe.
Op Le Bon Berger is er grote beroering geweest (zie de vorige twee nieuwsbrieven, maart en november 2018).  Doordat de directie van de stuwdam besloot het schoolgeld voor de kinderen van werknemers, niet meer direct naar Le Bon Berger over te maken, maar aan de betreffende werknemers uit te betalen, liep het leerlingenaantal dramatisch terug, ondanks het feit dat de kwaliteit van onderwijs op overheidsscholen (schoolgeld 1 euro per jaar) veel minder is. En ondanks een sponsoring van 23 leerlingen door het Maliproject en andere maatregelen (verlaging schoolgeld, verlaging salarissen onderwijzers), is in standhouden van de basisschool waarschijnlijk niet haalbaar. We wachten verdere ontwikkelingen af.
Er wordt onderzocht om in samenwerking met Casper Jansen én met Elie Théra, voorzitter van het Jeugdcomité van de Raad van Protestantse kerken in Mali, volwassenonderwijs te starten om mensen mogelijkheden te geven in hun onderhoud te voorzien. Gedacht wordt aan onderwijs in tuinieren en bomenaanplant (in het kader van het stoppen van de verwoestijning door weinig regenval) én aan opleiding voor horeca/restaurant.
Wat betreft de tweede bezigheid van ons Maliproject: door samenwerking met een grote organisatie van Chr. radiostations in Mali en Kenya heeft Radiostation KanuYah (God met ons) thans héél het grote hoofdgebouw in gebruik genomen. Er zijn achttien medewerkers werkzaam. Het gebouw is inmiddels met middelen van deze radiostationorganisatie van binnen en van buiten prachtig opgeknapt, zelfs voorzien van airco. De zendapparatuur van Kanuyah is met geld uit het Maliproject vernieuwd en gemoderniseerd.
Over de derde betrokkenheid van het Maliproject, de vernieuwing en renovatie van drinkwaterpompen, waar met name onze partner Casper Jansen mee bezig is, is te melden dat ruim 32 pompen in de directe omgeving van ons scholengebied gerepareerd of vernieuwd zijn. Er komen steeds nog weer aanvragen binnen en Casper probeert met name op zaterdag in samenwerking met een plaatselijk loodgieter aan alle hulpvragen te voldoen.
Ja, lieve mensen, afgelopen jaar/schoolseizoen is er veel gebeurd op die plek daar in Mali.
Casper was in oktober in Nederland (onder andere voor een medische check) en hij is nu  weer terug naar zijn www.coolcampmali.com.
Wij blijven jullie op de hoogte houden en brengen met klem de bankrekening van ons Maliproject (www.maliproject.nl)  onder jullie aandacht:
NL66SNSB 0908 763 743, Diaconie Hofkerk Goor, onder vermelding van MALIPROJECT
C.B. van der Sluijs en A.C. van der Sluijs-Goud.



ADVENTSACTIE 2019

Dit jaar is in overleg met de M.O.V.-groepen van de Heilige Geestparochie gekozen voor een adventsproject voor de jeugd in het Heilig Land.
Dit project wordt ondersteund door de Ridderorde van het Heilig Graf van Jeruzalem.

Steeds minder christenen in het Heilig Land
Op dit moment vormen de christenen in het Heilig Land een zeer kleine minderheid, rond twee procent van de totale bevolking. Een percentage dat de afgelopen jaren in rap tempo is afgenomen door emigratie en door verminderde natuurlijke aanwas. Aangezien de jeugd de toekomst heeft, is het zaak om aandacht te geven aan de jeugd. Zij zijn een belangrijke voorwaarde voor de christelijke aanwezigheid in het Heilig Land, nu en in de toekomst.

Zie ook de video over de zomerkampen 

Uw bijdrage aan de adventsactie is daarvoor van groot belang.

Namens de MOV-groepen van de Heilige Geestparochie alvast hartelijk dank.


EEN ZIN OM OP KERKDEUREN TE SCHRIJVEN

24e Zondag door het Jaar (Jaar C) – Sint Pietersplein
Dierbare broeders en zusters, goedendag!

Het Evangelie van vandaag (Lc. 15, 1-32) begint met enkele personen die kritiek hebben op Jezus, wanneer ze Hem in het gezelschap zien van tollenaars en zondaars, en zij zeggen verontwaardigd: “Die man ontvangt zondaars en eet met hen” (Lc. 15, 2). Deze zin blijkt in feite een buitengewone verkondiging te zijn. Jezus ontvangt zondaars en eet met hen. Dat overkomt ons in elke Mis, in elke kerk: Jezus is blij dat Hij ons kan ontvangen aan Zijn tafel, waar Hij zich voor ons geeft. Dat is de zin die wij op de deur van onze kerken zouden kunnen schrijven: “Hier ontvangt Jezus de zondaars en nodigt Hij hen uit op Zijn maaltijd”. En de Heer antwoordt aan degenen die Hem bekritiseerden, met drie buitengewone parabels, die Zijn voorkeur tonen voor degenen die zich ver van Hem voelen. Vandaag zou het goed zijn dat iedereen zijn Evangelie zou nemen en in de heilige Lucas hoofdstuk 15, de drie parabels zou lezen, zij zijn prachtig.

In de eerste zegt Hij: “Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één van verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene, totdat hij het vindt?” (Lc. 15, 4). Iemand van u? Iemand met gezond verstand, nee: die zou twee keer tellen en één schaap opofferen om de 99 te behouden. God daarentegen berust niet, Hij neemt juist u ter harte die de schoonheid van Zijn liefde nog niet kent, u die Jezus nog niet tot het centrum van uw leven gemaakt hebt, u die uw zonde nog niet kunt overstijgen, u die niet in de liefde geloofd, misschien door de slechte dingen die in uw leven gebeurd zijn.

In de tweede parabel, bent u dat kleine geldstuk. De Heer berust er niet in het te verliezen en zoekt het zonder respijt: Hij wil u zeggen dat ge kostbaar bent in Zijn ogen, uniek. Niemand kan u in het hart van God vervangen. Gij hebt uw plaats daar ….

En in de derde parabel, is er een vader die op de terugkeer van de verloren zoon wacht: God wacht op ons, Hij wordt het niet moe, Hij verliest de moed niet. Want wij zijn dat, ieder van ons is die zoon die opnieuw omhelsd wordt, het geldstuk dat teruggevonden wordt, het schaapje dat gestreeld en op Zijn schouders gelegd wordt. Hij verwacht elke dag dat wij dichter bij Zijn liefde komen. En gij zegt: ik heb te veel uitgestoken! – wees niet bang: God houdt van u en weet dat alleen Zijn liefde u kan veranderen. Maar deze oneindige liefde van God voor ons, zondaars, wat de kern van het Evangelie is, kan afgewezen worden.

Dat is wat de oudste zoon van de parabel doet. Hij heeft eerder een meester dan een vader voor de geest. Dat is ook voor ons een gevaar: eerder geloven dat God streng is dan barmhartig, een God die het kwaad eerder door macht dan door vergeving overwint. Zo is het niet. God redt uit liefde, niet door kracht; door zich aan te bieden, niet door zich op te dringen. Maar de oudste zoon die de barmhartigheid van de vader niet aanvaardt, maakt nog een grotere fout: hij denkt rechtvaardig te zijn … en hij beoordeelt alles op grond van zijn rechtvaardigheid. Daarom windt hij zich op tegen zijn broer en maakt hij zijn vader een verwijt: “En nu die zoon van u is gekomen … hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten” (Lc. 15, 30). Die zoon van u: hij noemt hem niet mijn broer, maar uw zoon. Hij voelt zich een enige zoon. Ook wij hebben het verkeerd voor wanneer wij denken rechtvaardig te zijn, wanneer wij denken dat de slechten de anderen zijn. Denken we van onszelf niet dat we goed zijn, want op ons eentje, zonder de hulp van God die goed is, kunnen wij het kwaad niet overwinnen Wat doen om het kwaad te overwinnen? Gods vergeving aanvaarden, de vergeving van onze broeders aanvaarden. Dat gebeurt telkens als we gaan biechten. Daar ontvangen wij de liefde van de Vader die onze zonde overwon: de zonde bestaat niet meer,

{in vrije rede gaat hij verder} God vergeet ze. Wanneer God vergeeft, verliest Hij Zijn geheugen, Hij vergeet onze zonden. Hij vergeet, Hij is zo goed voor ons.

{weer lezend vanaf de voorbereidde tekst} Niet zoals wij, die nadat we “dat is niets” gezegd hebben, ons bij de eerste gelegenheid het onrecht met rente herinneren. Nee, God wist het kwaad uit, Hij hernieuwt van binnenuit en laat zo opnieuw vreugde in ons ontstaan. Geen droefheid, geen duisternis in het hart, geen wantrouwen, maar vreugde. Moed, met God heeft geen enkele zonde het laatste woord.

Zie ook:

N.v.d.r.: In strikte zin ‘vergeet’ God niet of ‘verliest Zijn geheugen’, net zoals Hij leert of verrast is. God’s zijn en Zijn kennis zijn hetzelfde. “Indulgentiam, absolutionem et remissionem” (Hij schenke ons vergiffenis, kwijtschelding en vrijspraak) is de aloude zinsnede ter afsluiting van het Confiteor aan het begin van de H. Mis. Onze zonden, zelfs ‘privé’ zonden, gaan God en de hele gemeenschap van de Kerk aan: belijdenis, bekering en penitentie zijn wezenlijke elementen van de Biecht.

Moge de Maagd Maria, die de knopen ontwart, ons bevrijden van de verwaandheid te denken dat we rechtvaardig zijn en ons de behoefte doen voelen naar de Heer te gaan, die op ons wacht om ons te vergeven.

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 8 2019


HEBZUCHT VERZADIGT NIET MAAR HONGERT UIT

18e Zondag door het Jaar (C) – Sint Pietersplein

Dierbare broeders en zusters, goedendag!

Het Evangelie van deze dag (Lc. 12, 13-21) begint met iemand uit de menigte die aan Jezus vraagt een juridische kwestie op te lossen van een familiale erfenis. Maar Jezus gaat er in Zijn antwoord niet op in en roept op zich ver te houden van hebzucht, dat wil zeggen de begeerte naar bezit. Om Zijn toehoorders af te leiden van dit koortsachtig zoeken naar rijkdom, vertelt Jezus de parabel van de dwaze rijke man, die denkt gelukkig te zijn omdat hij een buitengewoon jaar had en zich zeker voelt door zijn opgestapeld bezit. Het zou mooi zijn indien u hem vandaag zou lezen: hoofdstuk 12 bij de heilige Lucas, vers 13.

Een mooie parabel die ons veel leert. Het verhaal komt tot de kern van de zaak wanneer de tegenstelling verschijnt tussen wat de rijke voor zichzelf plant en wat God hem aanbiedt.

De rijke confronteert zijn ziel, dus zichzelf, met drie overwegingen: het vele opgestapelde bezit, de vele jaren dat zijn bezit hem zekerheid lijken te geven en ten derde, het ongeremde welzijn.

Maar het woord dat God tot hem richt, doet zijn plannen te niet. In tegenstelling tot “de vele jaren”, wijst God hem op de nabijheid van “nog deze nacht, komt men je leven van u opeisen”; in de plaats van “van het leven te genieten”, stelt Hij hem het feit voor ogen “rekenschap te geven van zijn leven; zijn leven aan God terug te geven”, met het daarbij horende oordeel. De realiteit van het vele opgestapelde bezit, waarop de rijke alles bouwt, wordt bezwaard door het sarcasme van de vraag: “al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?” (Lc. 12, 20). Denken wij aan de strijd om de erfenis; zoveel strijd in families. En zo veel mensen, wij kennen allemaal zulke verhalen, die bij een naderende dood afkomen: neven, kleinkinderen die komen en vragen: wat zal ik krijgen? en zij nemen alles mee. Het woord “dwaas” – waarmee God deze mens aanspreekt – is in deze tegenstelling gerechtvaardigd – want hij denkt dat het om concrete zaken gaat, maar hij beeldt ze zich in. Hij is dwaas omdat hij in praktijk God negeert, hij heeft niet op Hem gerekend.

Het besluit van deze parabel, door de evangelist verwoord, is bijzonder doeltreffend: “Zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is aan God” (Lc. 12, 21). Een waarschuwing die de horizon toont waartoe wij geroepen zijn te kijken. Materieel bezit is noodzakelijk – het is bezit! – maar het is toch slechts een middel om eerlijk te leven en te delen met de meest behoeftige mensen. Jezus nodigt ons vandaag uit te overwegen dat rijkdom het hart aan banden kan leggen en losmaken van de ware schat die in de Hemel is. De heilige Paulus herinnert ons eraan in de tweede lezing van deze dag. Hij zegt: “zoekt wat boven is … Zint op het hemelse, niet op het aardse” (Kol. 3, 1-2).

Dat wil wel te verstaan niet zeggen, buiten de werkelijkheid gaan staan, maar de dingen zoeken die echt waarde hebben: rechtvaardigheid, solidariteit, broederlijkheid, vrede, al die dingen die de echte waardigheid van de mens uitmaken. Het gaat erom te streven naar een geslaagd leven, niet volgens de stijl van de wereld, maar van het Evangelie: God beminnen met heel zijn wezen en de naaste zoals Jezus van hem hield, dat wil zeggen in dienstbaarheid en zelfgave. Hebzucht, bezit willen hebben, verzadigt het hart niet, integendeel het vergroot de honger! Begeerte is als snoep: ge neemt één en zegt: wat is dat lekker! en ge neemt nog één en op het één volgt het ander. Dat is begeerte: zij verzadigt nooit. Opgelet! Liefde die zo begrepen en beleefd wordt, is de bron van echt geluk, terwijl bovenmatig zoeken van bezit en rijkdom, dikwijls een bron is van onrust, tegenspoed, machtsmisbruik, oorlog. Zoveel oorlogen zijn met hebzucht begonnen.

Moge de Maagd Maria ons helpen, ons niet te laten verleiden door zekerheden die voorbijgaan, maar elke dag geloofwaardige getuigen te zijn van de eeuwige waarden van het Evangelie.

Naar dit artikel wordt verwezen in Geestig 7 2019


Uithoudingsvermogen

Geldt in het kerkelijk verkeer ook: bij twijfel niet oversteken en niet inhalen?”  Ik keek mijn vriend verbaasd aan. “Jij maakt je, voorzover ik weet, niet zo druk over de gang van zaken in onze  kerk. Deze vraag stel jij  niet om leuk of origineel te zijn.”
“Ik ben boos en teleurgesteld,” zei hij. “Ik ben van plan het lidmaatschap van onze kerk op te zeggen. Ik denk dat ik me laat uitschrijven uit onze rk kerk, waar voorgangers met macht en zwijgplicht de sexualiteit misbruiken. En daar komt bij alwat medegelovigen, dus  niet alleen kerkelijke leiders, over onze paus, over homo’s en lesbiennes, over abortus en euthanasie zeggen,.Verschrikkelijk. Daar voel ik me niet meer bij thuis. De geest van het evangelie begint het te verliezen van allerlei voorschriften, regels en wetten. Angst regeert. De kerk die mijn jeugd verblijd heeft, is ver te zoeken. Het doet me allemaal meer pijn dan ik gedacht had.”

Een eerste verkenning
“Bij twijfel niet oversteken,” begon ik aarzelend woorden uit zijn vraag te herhalen. “Voordat je oversteekt moet je altijd naar links en naar rechts kijken. Niet naar één kant alleen. Eeuwig stil blijven staan is net zo levensgevaarlijk als roekeloos oversteken. En wat denk je aan de andere kant van de weg te vinden?”
Hij had zijn hart gelucht, maar teleurgesteld bleef hij. Hardop denkend hoorde ik hem zeggen dat hij niet naar links gekeken had. “Me aansluiten bij die idealisten, met hen ‘mee-geloven’ in een andere kerk, in een nieuwe wereld, daar ben ik te kleingelovig voor. Bovendien denk ik nu dat ook daar weinig plaats en ruimte is voor ‘andersdenkenden’, laat staan voor ‘andersgelovigen’.”
Ik herhaalde mijn vraag. “Wat denk je, als je oversteek, aan de andere kant van de weg te vinden?” Hij zei: “Daar ben ik helemaal niet zo mee bezig. Ik ben meer bang voor de pijn als ik mijn kerk loslaat, haar vaarwel zeg. Dat ik alleen kom te staan. De kerk waarin ik gezongen en gebeden heb, waaraan ik trouw mijn kerkbijdrage heb afgedragen, waar ik missionarissen met geld en goederen heb ondersteund, waarin de zieken bezocht werden en waar ze met een voedselbank begonnen zijn, die kerk heeft ergens toch nog wel een plaatsje in mijn hart.  Ik word heen en weer geslingerd tussen blijven en opstappen. Daar komt mijn  vraag vandaan: geldt ook in kerk en geloof: bij twijfel niet oversteken? In de kerkelijke wereld zijn  verbleekte zebrapaden met verkeerslichten  aangelegd waar je veilig en vrij zeker kunt oversteken, als niemand tenminste door rood rijdt. Maar in de geloofswereld  moet je het op de tast doen, met durf en vertrouwen. Op dat punt sta ik.”
Ik begon te begrijpen waar zijn vraag vandaan kwam. Ook zijn pijn en teleurstelling kon ik navoelen. We beloofden elkaar vast te houden en samen naar wegen te blijven zoeken om ons geloof te bewaren en het niet te laten verdorren.

Woorden van ver
Vanmorgen kreeg ik een brief van hem.  Hij was enkele dagen in het gastenverblijf  van een klooster geweest. Eén van de monniken had hem een verhaal verteld  over Jacob. Hij schreef mij: “Wat ik er van onthouden heb, is dat die Jacob ’s nachts als laatste van zijn familie een grensrivier moest oversteken. In dat water worstelde iemand met hem, de hele nacht. Jacob kon hem vanwege de duisternis niet in het gezicht zien.  Jacob raakte in die worsteling gewond aan zijn heup. Ondanks dat liet hij die Onzichtbare niet ontkomen. In het morgenlicht vroeg de Onbekende hem te laten gaan. Alleen als je mij zegent, eiste Jacob. Gewond en gezegend kwam Jacob uit die worsteling met de Onzichtbare.”
Ik heb zijn brief met dit verhaal een paar keer overgelezen. Waarom had die monnik dat verhaal aan hem verteld? En wie is de Onzichtbare? Een man, een vrouw, God, een engel? En hoe houd je dat vol een hele nacht vechten?

Daar ging en gaat het om
Met mijn vragen ben ik na zijn thuiskomst bij hem op bezoek gegaan. Hij had dezelfde vragen als ik en had ze ook aan die monnik gesteld. En zijn antwoord was: alleen jijzelf  kunt daar een antwoord op geven.
Met hem zoekend naar een antwoord vroeg ik hem: “Hen jij die monnik ook jouw vraag voorgelegd: geldt in het kerkelijke verkeer en in de geloofswereld ook: bij twijfel niet oversteken?   En dat jij erover dacht, over denkt om je lidmaaatschap van de kerk op te zeggen?” Mijn vriend keek me aan. “Wil jij zeggen, dat die monnik dat verhaal verteld heeft omdat ik in dezelfde positie verkeer als die Jacob, nu ik worstel met mijn kerk en mijn geloof,” vroeg hij. Ik knikte.  Het bleef lang stil. In de stilte lieten wij het verhaal van Jacob steeds dichterbij komen.  Het duurde even voordat hij tegen mij zei wat ik in de stilte al gehoord had. “Of ik oversteek of niet, aan deze kant en aan de andere kant, het gaat er om  dat je het met die Onzichtbare, met die Onbekende uithoudt. Houd ik Hem vast als ik het niet meer zie zitten, als het donker is en met mijn voeten in het water sta? Wil ik met Hem verbonden blijven?  Kun je wachten op Zijn zegen al of niet  met een trauma, die je aan die worsteling overhoudt?”
Het was al bijna morgen, toen hij thuis bleef en ik op weg ging naar huis.

Gerard Geurts

Dit artikel staat ook in Geestig 1 2019


Van een pop een engeltje maken.

Nodig;  pop, witte stof, schaar, knutsellijm, pen, wit papier.

  1. Vouw de stof dubbel.
  2. Leg de pop op de stof en teken een jurk er ruim omheen
  3. Knip de jurk uit
  4. Je hebt nu twee delen, deze lijm je met een klein beetje lijm langs de randen op elkaar.  (Let op dat je de onderkant en de hals niet lijmt.)
  5. Knip de achterkant bij de hals in zodat het hoofd erdoor kan.
  6. Knip uit een dubbel gevouwen papier de vleugels en
  7. lijm deze aan de achterkant van de jurk.
  8. En klaar is je eigen kerstengel!

 

Uit de drukte de stilte in.

(Die oude verhalen zijn zo gek nog niet)

Zondagavond, na het sportjournaal. De bel. “Nou heb ik toch iets gedaan, wat ik nog nooit gedaan heb.” Met deze woorden stond Arjan onaangekondigd voor de deur. “Voordat je gaat vertellen,” zei ik, “kun je het beste eerst maar eens rustig gaan zitten.” Na de koffie kwam hij met zijn verhaal. “Ik had mijn beide boeken van bibliotheek uit. De televisie boeide mij niet. De detectives van mezelf had ik allemaal al gelezen. Toen heb ik wat in de Bijbel zitten bladeren. Ik zou niet weten wanneer ik dat boek voor het laatst heb ingekeken.” Enigszins verbaasd keek ik hem aan. “Neen, ik ga je niets voorlezen. Maar wat mij opviel, en dat komt in meerdere varianten voor, waren de zinnetjes, dat Jesus zich terugtrekt om te bidden, een hele nacht lang, in de stilte, op een berg. Hij moest toen wel een belangrijke beslissing nemen. Maar ook als hij druk was en de mensen zich aan hem opdrongen, een beroep op hem deden, op die momenten na gedane arbeid trok hij zich evengoed terug op een eenzame plaats om te bidden.”
Arjan keek mij aan, wachtend op een reactie. Hij wilde wel een biertje.

Eerste reacties
“In de Bijbel lezen en hier komen om mij te vertellen wat je gelezen hebt, is wel heel apart. En ook nog op zondagavond,” zei ik. Arjan knikte. “Ik bewonder mensen,” zei hij, “die afstand kunnen nemen van hun werk. Die zich terugtrekken uit hun gedoetje, als het ware er even de rem opzetten, voor een ogenblik, voor een paar uur of voor een hele nacht het leven langs zich heen laten gaan. Dat lukt mij niet. Daarom zullen die zinnetjes mij wel geraakt hebben.”
“Nou jij het zegt, bij mij is het niet anders. Het is elke dag meer hollen dan stilstaan. Alles moet direct gebeuren bij mij. Als ze niet per ommegaande reageren op mijn e-mail, irriteert mij dat mateloos. Ik zou niet weten wanneer ik mijn mobieltje heb afgezet. Toen iemand tegen me zei, dat ik een “bereikbaarheidssyndroom” had, werd ik kwaad. Nu tegen jou durf ik wel te bekennen dat hij gelijk had.”

“Jij hoort letterlijk en figuurlijk bij de snelle jongens,” deed Arjan er nog een schepje bovenop. “Toen ik laatst bij je in de auto zat, was het gelijk toeteren als je voorganger bij een stoplicht in alle rust optrok. Het was voor jou nooit snel genoeg.” “Dat klopt” zei ik, “dat ik zo ongeduldig ben, heeft me al een paar keer parten gespeeld. Als ik even gewacht had, de tijd genomen had, in alle rust even met iemand overlegd had, had ik niet zoveel tijd nodig gehad om mijn overhaaste beslissingen weer te corrigeren. Alles was dan sneller en rustiger voor elkaar gekomen. Had ik mij maar meer teruggetrokken in het gebergte, om met jouw zinnen uit de Bijbel te spreken.”

Nabeschouwing
“Wat zalig om op zondagavond zonder op de klok te kijken in alle rust met elkaar te praten.” zei Arjan. “Dat doen we te weinig. Nu ik die zinnetjes wat meer op me laat inwerken,” ging Arjan verder, “ben ik wel erg benieuwd wat die Jesus gebeden heeft, of hij iets gevraagd heeft of dat hij onder het bidden ook in slaap is gevallen.”

“Ik denk, maar misschien reageer ik nu weer te snel, dat hij de woorden in de mond heeft genomen die hij later ook aan zijn vrienden heeft doorgegeven. Die woorden die we nu kennen als het Onzevader.” Zonder elkaar aan te kijken zaten we stilletjes voor ons zelf af te checken of we het Onzevader nog uit ons hoofd kenden. We wisten van elkaar wat we deden en we moesten er om lachen.

“Ik zie dat je op wilt stappen” zei ik. “Als je in de komende tijd weer eens in de bijbel gaat bladeren en weer door een zinnetje of een verhaal geraakt wordt, ben je bij mij van harte welkom. Want die oude verhalen zijn zo gek nog niet, als je er even bij stil staat.”

“Ik ga nu naar huis,” zei Arjan en hij bracht zijn lege glas naar de keuken. “Vanavond nog schrijf ik met een stift op de spiegel in de badkamer: EVEN STIL STAAN BIJ JEZELF IS EEN HELE VOORUITGANG. Dat is dan elke avond en morgen mijn gebed, mijn mantra, mijn checkpoint, of hoe je het maar noemen wilt.”

Gerard Geurts

Dit artikel staat ook in Geestig 5, 2018


Kracht vinden en verder gaan

Mijn ervaringen in Rwanda.

Soms zijn er momenten in je leven die je niet vergeet en regelmatig in je gedachten zijn. Soms ontmoet je mensen die ervaringen hebben die voor mij, ons, haast ondenkbaar zijn. Hoeveel verdriet kan een mens verdragen om toch weer kracht te vinden verder te gaan met het leven. Nog regelmatig gaan mijn gedachten terug naar het bezoek dat ik bracht aan Rwanda in 1996, twee jaar na de genocide die daar plaats vond. Hutu’s en Tutsi’s, mensen die jaren als buren leefden, het dorpsleven met elkaar deelden en kinderen die samen speelden, werden ineens vijanden.

Aanleiding tot de genocide was de moord op president Habyarimana.Ons bezoek vanuit Agriterra had als inzet het inventariseren van de hoogste nood en zo snel mogelijk hulp te bieden. Maar wat moet je in een land dat in totale ontreddering en armoede verkeerd, overal getraumatiseerde mensen die proberen te overleven en weer een leven op te bouwen. Ons eerste bezoek was aan de ambassade voor info over, waar is het veilig, waar nog niet en wat moeten wij weten voor een goed verloop van ons verblijf.

Verwerken van verdriet
Het eerste dorp dat we bezochten bestond voor 90% uit vrouwen en kinderen. De vrouwen bewerkten het land met elkaar om de monden te voeden. Samen op het land werken geeft veiligheid en tijd om je zorgen te delen. Deze vrouwen waren allen weduwe en stonden er alleen voor. En met elkaar kunnen praten helpt bij het verwerken van verdriet. Deze vrouwen moesten het zonder enige hulp zelf klaren, geen sociaal vangnet of wat dan ook. In dit dorp konden we helpen met de aanschaf van een geit om zo de kinderen van melk te voorzien.

De eerste behoeften
Zo reden we van dorp tot dorp en zagen onderweg lange colonnes in roze pakken, dit waren gevangenen die tewerk werden gesteld. Soms werden we aangehouden door soldaten die onze papieren wilden controleren, maar dit gaf geen problemen. Al rijdend door de heuvels, na de eerste indrukken opgedaan en verwerkt te hebben, dringt de omvang van zo’n menselijke ramp tot je door. Er spelen vele gedachten door mijn hoofd maar ook de vraag; hoe kunnen wij het beste helpen, waar hebben deze mensen als eerste behoefte aan, enzovoort?

Altijd weer opstaan
Bij een ander bezoek werden we ontvangen door weer een alleenstaande moeder. Na een hartelijke ontvangst werden we meegenomen naar haar tuintje. Daar liet zij vol trots zien hoe mooi de groenten erbij stonden en hoe mooi haar huisje was. De kinderen weken niet van haar zijde en vonden die witte mensen maar vreemd. Maar het ijs brak na een klein cadeautje, een sleutelhanger.
Achter haar huisje zag ik een grafsteen liggen en ik vond dit wat vreemd. Tijdens ons gesprek vroeg ik of op deze wijze de doden begraven worden. In een normale situatie worden de doden naar de begraafplaats gebracht, vertelde ze. Maar nu haar man en zoon achter het huis vermoord waren wilde zij hen thuishouden. “Dit helpt bij het opvoeden van de kinderen”, aldus de moeder, “want als de kinderen niet luisteren dan zeg ik: pappa ziet alles dus jullie moeten wel luisteren, en dat helpt.” Dit verhaal greep me erg aan maar maakte direct duidelijk hoe sterk deze vrouwen zijn en altijd weer opstaan, hoe zwaar het leven soms ook is.

Marianne Koebrugge

Dit artikel staat ook in Geestig 3, 2018


Vasten & bezinning
Zijn we het echt helemaal kwijt?

De vastentijd herinnert ons aan het verhaal waarin Jezus veertig dagen in de woestijn doorbracht zonder eten en drinken. Het is een waardevolle periode van inkeer, gebed en bezinning en een voorbereiding op het Paasfeest.

Vasten kan gezien worden als ergens van af zien, of je iets onthouden. En tevens betekent het ook om juist iets meer te doen, voor de medemens die het echt nodig heeft. De achterliggende gedachte daarbij was of is: wie vast, houdt geld over en kan dat schenken. Wie niet vast, kan via de Vastenactie toch iets doen voor de minderbedeelden.

Niet typisch katholiek

Deze periode van “Vasten en bezinning” is niet typisch katholiek of Christelijk. Het komt op één of andere manier in veel religies voor; denk aan het Joodse Jom Kipoer of de Ramadan in de Islam. Er is wel een verschil ontstaan in de laatste vijftig jaar: wij als katholieken lijken er weinig waarde meer aan te hechten. Alleen Carnaval is nog overgebleven; de lusten, zonder de lasten en het heeft bijna geen enkele echte binding meer met het Christendom.

Ooit was de veertigdagentijd wel een belangrijk periode, die begon op Aswoensdag en eindigde met het feest van Pasen. In deze veertig dagen (zondagen niet meegerekend) leefde men vroeger heel sober en werd alleen het hoogstnoodzakelijke gegeten. Als katholieken hebben we er weinig of geen aandacht meer voor en we beleven het al helemaal niet meer gemeenschappelijk.

Hoe anders is het bij onze Islamitische landgenoten? Onder de Moslims is de Ramadan nog steeds een belangrijke periode van inkeer, bezinning en vasten. Vrijwel de hele gemeenschap doet daaraan mee, op diverse werkplekken wordt er rekening mee gehouden en de media bericht er uitgebreid over. Een schril contrast met hoe wij ons Christelijke geloof eigenlijk uit het openbare leven hebben verbannen en zo ook de veertigdagentijd.

Bezinningsdagen

Vasten en bezinning: we maken de balans op; hoe solidair zijn we met anderen, welke verantwoordelijkheid nemen wij?  Vasten en bezinning brengt mensen ook bij elkaar. Met name het element van bezinning wordt door menigeen gemist, ook omdat we elkaar er niet meer in stimuleren en het niet gemeenschappelijk wordt opgepakt. Wel worden er op diverse plekken in het land retraites gehouden in de tijd rond Pasen. Ze kunnen bijdragen om bewust en met anderen een moment van bezinning in het leven in te passen. In het aparte kader op deze pagina hebben we er enkele voor u op een rij gezet.

Het nieuwe vasten?

Er lijkt daarmee voorzichtig een beweging op gang te komen dat we het belang en nut van vasten en bezinning weer een beetje gaan inzien. Ook komen ‘modernere’ vormen van vasten in zwang, zoals veertig dagen geen alcohol drinken, veertig dagen geen vlees eten, veertig dagen niet uit-eten of veertig dagen zonder social media. De organisatoren van de landelijke Vastenactie zeggen daarover: “Met vasten probeer je vier dingen te bereiken: een betere omgang met jezelf, met je medemensen, met het milieu en een betere omgang met God.” Het is daarmee een bewuste en mooie voorbereiding op Pasen.

Richard Wermelink

Dit artikel staat ook in Geestig 2, 2018


 

Welkom in de kerk

Wie doet het niet? Als je in het buitenland op vakantie bent even een kerk binnenlopen, soms een kaarsje opsteken maar ook genieten van het interieur en de stilte in de kerk. In de zomermaanden werd met de actie Het Grootste Museum van Nederland aandacht gevraagd voor de schoonheid van de kerken in ons eigen land. Met elkaar vormen deze het grootste museum van Nederland.

Ruimte voor ontmoeting

Te midden van vele andere gebouwen, die gebruikt worden voor bewoning en bedrijvigheid, bieden kerkgebouwen ruimte voor de ontmoeting met God.
Een kerkgebouw is een ‘gezamenlijk project’ van God en van de mens. Door mensen in geloof gebouwd en aan God toegewijd. In de ruimte van de kerk is er de ontmoeting tussen God en de mens, maar ook de samenkomst van de gelovigen als geloofsgemeenschap. De gelovigen zijn de levende stenen die samen de gemeenschap rond de Heer vormen. Bovendien is een kerk een teken van menselijk kunnen in bouwkunst en in gezamenlijkheid: voor God is vaak het mooiste nog niet mooi genoeg.

Maar of een kerkgebouw nu bijzonder mooi is of niet, een kerkgebouw wordt in de loop van de tijd voor mensen bijzonder dierbaar. Wanneer je in een kerk samen de scharniermomenten van het leven in geloof kunt vieren en gedenken in Gods nabijheid, is dat van onuitwisbare betekenis.

Een Open kerk

Veel kerken zijn, om begrijpelijke redenen, buiten de vieringen niet toegankelijk. Toezicht is helaas noodzakelijk. Voor parochies ligt in de kerkopenstelling echter een missionaire kans. Vorig jaar bleek uit een Brits onderzoek dat jeugdigen aangaven dat ze interesse voor het christelijk geloof hadden gekregen na het bezoek aan een historisch belangrijk kerkgebouw. Niet dat dit alles zegt, maar het geeft te denken. Vaak zonder het te beseffen hebben we goud in handen.

Landelijk zijn er een aantal momenten waarop veel kerken geopend zijn. Denk aan de jaarlijkse Open Monumentendag in september. September jongstleden vond ‘Back to Church: Kerkproeverij’ plaats. En in Brabant was eind november een Open Kerkendag.

We beseffen steeds meer dat we de kerken meer moeten openstellen voor bezoek en bezichtiging. Maar doe je dit dagelijks of wekelijks? Op welke dag en welk uur? Is openstelling gedurende marktdagen en op zaterdag- of zondagmiddag een goed idee? Of openstellen als er tegelijkertijd evenementen zijn. Met Kerstmis zijn gelukkig nog veel kerken open en in bijvoorbeeld Hengelo en Borne organiseert men gedurende het jaar CandleNight avonden, waarbij men op straat kaarsjes uitdeelt en mensen uitnodigt deze in de sfeervol verlichte kerk aan te steken. Dit is laagdrempelig en er zijn goede ervaringen mee opgedaan.

Vraag:

Wat vindt u? Voelt u zich welkom in onze kerken? Hoe kunnen we dit verbeteren? Hoe kunnen we een echte Open kerk zijn?
Geef uw reactie

José Cornel

Bron: Bisdom magazine van Bisdom Breda en Bisdom ’s-Hertogenbosch bij gelegenheid van Open Kerkendag 2017

Dit artikel staat ook in Geestig 1, 2018


Kerstverhaal als Google Earth

U kent misschien wel Google Earth, het computerprogramma, waarin je kunt inzoomen op de wereldbol naar het werelddeel, land, provincie, plaats, straat en je uiteindelijk zelfs je eigen auto voor je huis ziet staan. En dat stipje in de achtertuin, ben jij dat?

Inzoomen

Op eenzelfde manier vertelt de evangelist Lukas ons het kerstverhaal. Hij zoomt als het ware langzaam in. Vanuit het centrum van de macht, van de wereldpolitiek, het keizerrijk van Rome, waar steeds meer landen en volkeren ingelijfd worden en mensen geregistreerd en geteld moeten worden, zoomt hij verder in via de landvoogd van Syrië, waar de meest verschillende groeperingen elkaar betwisten, sommigen meeliftend met de welvaart van het Romeinse Rijk, en anderen gewapend vechtend voor de eigen vrijheid. En dan langzaam verder zoomend komt dat kleine plaatsje ergens achteraf, Bethlehem in beeld en dan nog verder…het veld in…een stalletje…een kribbe, een voerbak voor schapen…een kind. Dààr gebeurt het.

Ons licht laten stralen

Daar geschiedt voor hem het meest wezenlijke, waarbij al het andere in de duistere achtergrond verdwijnt: licht in het duister: Een kind wordt ons geboren, gewikkeld in doeken. Een kind, die te midden van al het gedoe in die grote wereld voor 100 % waar maakt, wat Nelson Mandela zoveel eeuwen later uitsprak:

“Het is ons licht, niet onze schaduw, die ons het meest beangstigt. We vragen ons af: Wie ben ik om briljant te zijn, prachtig, talentvol, fantastisch?

Maar wie ben jij om dat niet te zijn? Je bent een kind van God.

Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. (…)

We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen. We zijn geboren om de glorie van God, die in ons is, te openbaren. Die is niet alleen maar in sommigen van ons, die is in iedereen.

En als we ons licht laten stralen, nodigen we onbewust anderen uit om hetzelfde te doen. Als we van onze eigen angst bevrijd zijn, bevrijdt onze aanwezigheid vanzelf anderen.”

Als het licht in die kribbe

Het is alsof Lukas al inzoomend ons wil meetrekken naar dat Licht in die kribbe:
In de tijd dat Trump president van Amerika is… met wereldspelers Poetin en Kim Jong-un….naar klimaatafspraken in de Europese Unie… Nederland Rutte 3…vluchtelingen….jouw woonplaats…..jouw straat…jouw huis…..die stoel…het blad Geestig in de hand….JIJ…kind van God.

Je mag het weten. Durf je het te zijn?

Pastor Henk Ogink

Dit artikel staat ook in Geestig 8, 2017


Allerheiligen vieren is waardevol

Het is een prachtig schilderij. Ik heb er een hele tijd naar staan kijken. “De Voorlopers van Christus en de Heiligen en Martelaren”, zo heet het. Het is geschilderd door Fra Angelico (1387-1455) en het hangt in de National Gallery in London.

Voorsprekers

Deze afbeelding is een detail. Minutieus geschilderd, met aandacht voor detail, schitterende kleuren, vooral het blauw springt er echt uit als je het schilderij in het echt ziet. Alle heiligen: mannen, vrouwen, jong oud, vaak met een attribuut waaraan ze te herkennen zijn. De H. Agnes met een lam, de H. Barbara met een toren, H. Antonius met een varken en ga zo maar door. Heiligen in soorten en maten en de Kerk kent er een heleboel. Vele mannen en vrouwen die heilig verklaard zijn. De Kerk is er bij een heiligverklaring van overtuigd, dat die persoon nu reeds deelgenoot is van de heerlijkheid van God de Heer. Het zijn meestal mensen met een bijzondere geschiedenis, een bijzonder verhaal dat getuigt van een groot geloof en vertrouwen in God. De eerste onder alle heiligen is Maria, de Moeder Gods, die door haar vertrouwen in God, Moeder van Zijn Zoon is geworden. Zij is een voorspreekster, zoals alle heiligen dat zijn: wij kunnen hen in gebed aanroepen en vragen om voor ons te bidden bij God.

Naamdag vieren

Door het jaar heen vieren wij de feesten van heiligen. Op 29 september vieren wij de HH. Aartsengelen Gabriël, Michaël en Rafaël; 7 november H. Willibrord; 31 december H. Sylvester en op 25 april de H. Marcus, de heilige naar wie ik vernoemd ben. Op die dag zou ik mijn naamdag kunnen vieren. In sommige landen is het gebruikelijk die dag te vieren en niet je verjaardag. De vieringen van de heiligen zijn een soort van lint dat door het jaar gaat. In vroegere tijden werd vaak de tijdsaanduiding verbonden met de heiligendagen. In sommige akten komt je tegen: “op de woensdag na H. Bartholomeus in 1471”, om maar iets te verzinnen. De viering van de naamdagen van de heiligen bestaat nog steeds, maar is wat naar de achtergrond gedrongen. Heiligen zijn er niet alleen uit het verleden, maar ook uit het heden. Velen kennen het verhaal en de televisiebeelden van bijvoorbeeld de H. Moeder Teresa van Calcutta. Zij is een ‘moderne’ heilige.

Bekende én onbekende heiligen

Het Hoogfeest van Allerheiligen, dat wordt gevierd op 1 november, heeft een bijzondere oorsprong. De Kerk heeft altijd het besef gehad dat er naast de bekende heiligen die wij op de dagen door het jaar heen, gedenken en aanroepen, er ook onbekende heiligen zijn. Al hebben wij bij een groot aantal mensen met een voorbeeldig leven het uitgesproken vermoeden dat zij heilig zijn, uiteindelijk is het God die het oordeel geeft. Daarom zijn er naar de overtuiging van de Kerk vele heiligen die wij niet kennen, die een heilig leven hebben geleid maar die niet bij ons bekend zijn, maar wel bij God. Het hoogfeest van Allerheiligen gedenkt alle heiligen, de bekende, maar juist ook de onbekende. Het feest is daarom ook direct verbonden met de gedachtenis van alle overledenen op 2 november. Op die dag gedenken we niet alleen de overledenen die wij kennen bij name en aan wie wij nog levende herinneringen hebben, maar juist ook al degenen van wie niemand meer weet wie zij waren, maar die wel door God gekend zijn.

Heel de kerk viert

De Kerk is meer dan wat wij zichtbaar kunnen waarnemen. Christenen vormen hier op aarde de Kerk, het Lichaam van Christus, maar het is niet alleen dat. De Kerk omvat ook hen die er eens waren en nu overleden zijn. De Kerk bestaat dus uit Christus die haar Hoofd is, levenden en doden, heiligen en zaligen – bekend en onbekend, van het verleden, nu en in de toekomst. Als wij de Eucharistie vieren, viert de hele Kerk, niet alleen een deeltje, maar het geheel.

Allerheiligen is dus een feest met betekenis. Een feest dat ons duidelijk wil maken dat wij allen geroepen zijn tot heiligheid, tot een leven dat Christus heiligt.

Allerheiligen is een hoogfeest dat het vieren waard is.

Marc Oortman, pastoor

Dit artikel staat ook in Geestig 7, 2017


Van bezoek naar bezoek.

Hij was nu ruim tien jaar met pensioen. Moe maar voldaan was hij net terug van zijn wekelijks bezoek aan Cees. Zij hadden deze middag samen even gewandeld in de tuin van het verpleeghuis. Het afscheid, beter gezegd op een gesloten afdeling Cees aan de deur achterlaten, is voor hem het moeilijkste en pijnlijkste moment van zo’n middag. Dat gezicht van “waarom-mag-ik-niet-mee” staat hem altijd uren voor ogen. 

Een collega

Cees. Hij kende hem al jaren. Samen hadden ze meer dan 25 jaar bij dezelfde baas gewerkt, in hetzelfde bedrijf, achter dezelfde werkbank. En in de kantine hadden ze elke middag samen hun boterhamtrommeltje leeg gegeten. Vrienden hadden ze zich nooit genoemd. Kameraden, vaste maatjes. Ze waren er voor elkaar. Familiair en vertrouwelijk waren ze zelden. Hij had Cees gefeliciteerd met de trouwdag van zijn dochter. Daarover vertelde hij toen met ingehouden enthousiasme wat hij beleefd had in het stadhuis, in de kerk en onder het diner. Hij straalde na de geboorte van zijn kleinzoon. Cornelis. Roepnaam Kees.

Na zijn pensioen had hij wekelijks met hem contact gehouden. De ene keer een uurtje wandelen, zo nu en dan een fietstochtje en bij slecht weer een partijtje biljarten. Maar deze afwisseling was van korte duur. De wekelijkse contacten werden al heel gauw een bezoek aan hem in het ziekenhuis en nu al jaren in het verpleeghuis. Langzaam, heel langzaam, stokte het hedendaagse leven van Cees. Hij luisterde naar zijn verhalen, later alleen nog maar naar zijn woorden over vroeger. Hij merkte ook dat Cees niet meer wist dat zijn vrouw overleden was. Steeds kreeg hij de groeten mee voor haar. Uitleggen, verbeteren en vernieuwen had hij inmiddels uit zijn woordenboek geschrapt. Wel vroeg hij zich steeds vaker af of hij nog iets betekende voor Cees. Wat voor zin zijn wekelijks bezoek had. Hij wist niet wat hem dreef, maar een week overslaan en niet gaan, kon hij niet over zijn hart verkrijgen. 

Meer dan een collega

De laatste maanden was hij begonnen na een bezoek aan Cees iets op te schrijven: hoe lang hij bij Cees was gebleven, wat had Cees gezegd, wat had hem goed gedaan, waar was hij zelf blij om geweest, wat had hem verdriet gedaan, pijnlijk getroffen. In zijn opgeschreven woorden en zinnen zag en hoorde hij Cees. “Het is hier zo stil”. “Niemand”. “Niemand van de fabriek”. “Mama komt.” Toen week in week uit: “Ik ga verhuizen. Ik blijf hier niet lang meer”. Hij had hem gezegd dat hij dan meeging. Kameraden. Aan het gezicht van Cees te zien vond hij dat vanzelfsprekend. Op die bladzijde had hij geschreven: “ik begin te geloven dat mijn bezoek hem goed doet. En mij ook.” De volgende bladzijde hoefde hij niet te lezen. Aan de inktvlek bovenaan wist hij wat hij daar geschreven had. Het gebeurde een paar weken later. Cees wist niet meer wie hem begroette en wat hij kwam doen. “Ik ben uit zijn leven verdwenen; na bijna veertig jaar ben ik een vreemdeling voor hem”. Zo had hij het opgeschreven. Hij had weleens gehoord dat familie en vrienden zoiets hadden meegemaakt: niet meer gekend worden. Maar dat het zo pijnlijk en verdrietig was….en dan tegelijk ook weer die duivelse vraag: wat heeft een bezoekje nu nog voor zin. Een afdoende antwoord had hij niet. Wel dat Cees een deel van zijn leven was geworden. En hij kon en wilde dat deel van zijn leven, de man Cees, niet los laten, alleen laten. Wat hij nog nooit gedaan had, deed hij afgelopen zondag. Hij had in de kerk een kaarsje opgestoken bij het beeld van piëta. Voor Cees had hij gebeden. 

Een vertrouweling

Zijn bezoek aan Cees verliep de laatste tijd in stilte. Cees zei geen woorden meer. Zo nu en dan sloeg hij zijn ogen op. Op zijn kamer stond de radio aan. Klassieke muziek. Geen muziek die hoort bij Cees, voor het leven erelid van de Fanfare Sint Caecilia. Hij zocht en vond een zender met evergreens. Een lichte glans zag hij in de oogopslag van Cees. Het deed hem goed dat hij dit deze middag met Cees beleefd had.

De laatste tijd ging hij niet wekelijks meer naar zijn kameraad. Hij ging nu om de dag. Het waren korte bezoekjes geworden. Zelden nog een oogopslag, als hij Cees begroette en zijn naam noemde. Altijd ging hij naast hem zitten, zijn hand op Cees zijn arm. Zo nabij waren ze elkaar in al die jaren nog nooit geweest. De vraag of deze bezoekjes enige zin hadden, werd voor hem in dit woordeloze contact beantwoord. Wat Cees niet zeggen kon, voelde hij als zeker: hij was iemand voor deze man.

Na een telefoontje van Cees zijn dochter waren zijn bezoekjes overgegaan in een nachtelijk waken. Hij was met de familie één van de vertrouwelingen geworden aan het bed van Cees. Met hen heeft hij gewacht en gewaakt tot Cees tot een ander leven kwam. In de leegte was er voor hem nu niemand meer.

Gerard Geurts

Dit artikel staat ook in Geestig 6, 2017

Op weg gaan

Op weg gaan is een veel gebruikte metafoor voor het menszijn. Het leven is een queeste, een speurtocht. De mens: een reiziger tussen gisteren en morgen, tussen ergens en nergens. Op weg gaan is hitte, koude, vermoeidheid, onwetendheid en kwaad overwinnen. Op stap gaan is de eigen moed ontdekken. Het is de ogen openen, de wereld zien en zichzelf, de wind, de regen, de bomen en bloemen inademen en in voeling treden met de Levende. Op weg gaan is groen, blauw, rood en geel bewonderen, en zijn leven zien en plaatsen in de kleuren van de regenboog. Op weg gaan is de weg van de sterren volgen.

Bedevaart

Op tocht gaan… Het kan op vele wijzen en het gebeurt om vele redenen. Soms gebeurt het uit louter toeristische overwegingen, anderen doen het uit nieuwsgierigheid, weer anderen beschouwen het als een uitdaging. Dagelijks trekken ook hier of daar op onze aarde velen naar bedevaartplaatsen. Hindoes bezoeken de Ganges, Joden trekken naar Jeruzalem, Boeddhisten trekken naar Sarnath gelegen bij Benares, en Moslims gaan op tocht naar Mekka. Wijst dit alles niet op een diepgaande, existentiële nood aan uiteindelijke geborgenheid, zingeving of voltooiing? De bedevaarder zoekt de ‘heilige’ plaatsen op om het ‘heilige’ dat daar aan het licht treedt, te ontmoeten.

Ook christenen gaan op weg. De bedevaarder wordt uitgenodigd zich om te vormen, te vernieuwen, te (her)plaatsen in het spoor van Christus.

Bron van nieuw leven

Op tocht gaan is bron van nieuw leven; sedentair leven betekent zoveel als ‘vastroesten’. Mens zijn is een utopie hebben, van het Griekse ou-topos: geen plaats. Loskomen van het sedentair leven is een moeilijk proces.

Het houdt in: ‘je huis verlaten’, loskomen van wat je hebt opgebouwd, loslaten wat je opslorpt… maar ook nieuw leven krijgen en vinden. Bewegen is meer inherent aan menszijn dan stilstaan. Het bijbels op tocht gaan, is niet een op weg gaan voor zichzelf. Je wordt op weg getrokken samen met de andere en omwille van de andere, gedragen en geroepen door God. Een op weg gaan zonder direct zicht op een bestemming veronderstelt vertrouwen, vertrouwen dat Hij je thuisbrengt.

Nieuwe gemeenschap

De mens onderweg (figuurlijk, maar ook letterlijk) ondergaat een grote verandering. Tijd is geen geld meer, maar overvloedig voorhanden. Ook de simpele dingen komen nu tot hun recht. Bovendien zijn we geen ‘mensen die van alles te doen hebben’; wij worden mensen die met elkaar bestaan. Het zelfbesef verandert grondig. We ‘functioneren’ niet langer, maar beginnen te ‘zijn’. We blijken rijker én kwetsbaarder nu de bescherming van rol en masker weg is. We beseffen ook een beetje wat de tijdgeest ons ontneemt aan levenskansen, aan ontmoeting. Onderweg ervaren we ook: we kunnen niet veel zonder anderen. Een pelgrimstocht bijvoorbeeld is veel meer dan een voorbijgaande mooie ervaring, veel meer dan een vlucht uit druk leven, het is appel  en uitnodiging tot nieuw leven en nieuwe gemeenschap.

Wie echt op weg gaat, weet dat het er niet om gaat zo snel mogelijk een einddoel te bereiken; neen, je ontdekt geleidelijk meer en meer dat het ‘gaan van de Weg’ zélf wezenlijk is.

Jezus

Jezus’ volgelingen worden vanaf de eerste eeuwen ‘mensen van de weg’ genoemd. De dwaasheid van die weg brengt een nieuw weten aan en roept een nieuw bewustzijn op. God gaat wegen met mensen: wegen die we (nog) niet kennen, wegen die wij niet trekken. Geloven is op de eerste plaats een op weg gaan en niet een verzameling van waarheden of leefregels.

(bron: geloven met je voeten,VVKSO,1999)

Jan Horck

Dit artikel staat ook in Geestig 5, 2017

Maria met kind, atelier Adriaen Isenbrant (naam vervaardiger onzeker), ca 1520, Museum Catha- rijneconvent, Utrecht

Hoe Maria dit jaar in Utrecht verscheen.

Al eeuwenlang bezoeken duizenden mensen de bekende bedevaartsoorden. Dat is niets bijzonders.  Wel bijzonder is het, dat dit jaar naar verwachting vele duizenden mensen naar Utrecht trekken om daar Maria te zien.
Maria uit de tijd? Dus niet!

Museum het Catharijneconvent in Utrecht heeft de grootste tentoonstelling uit haar geschiedenis samengesteld, met als thema: Maria. Velen zullen gedacht hebben: is dat nog wel van deze tijd? Ja dus: in de eerste twee maanden na de opening heeft de tentoonstelling al meer dan dertigduizend bezoekers getrokken.

Mondiaal symbool

Wat verklaart het succes? De conservator zegt daarover: “Je komt Maria overal tegen. Kijk op internet, dan zie je Beyoncé als Maria, zwanger tussen de bloemen.  We hebben in deze roerige tijden ook wel behoefte aan geborgenheid, aan een moeder. En misschien wel contact met het ‘hogere’ en daar is Maria de ideale figuur voor.” De tentoonstelling geeft inzicht hoe zeer Maria een mondiaal symbool is voor liefde, vrouw-zijn, gezin, angst, verdriet, troost en bescherming.

Maria als inspiratiebron

Er zijn zeven thema’s te zien: ‘Oermoeders en godinnen’, ‘Oost en West’, ‘Het leven van Maria’, ‘Devotie’, ‘Processies en bedevaarten’, ‘Maria in de hedendaagse kunst’ en ‘Moeders in andere religies’. Maria wordt belicht vanuit verschillende culturele en religieuze perspectieven. De rode draad is haar veelbewogen leven dat verbeeld wordt door beroemde kunstenaars als Rubens, Rembrandt, Jan Toorop, Jan Fabre en Bill Viola. De vertellingen, legendes en volksverhalen over Maria zijn een inspiratiebron voor diverse kunstenaars, van klassiek tot modern, van Gerard Reve tot aan Beyoncé.

Vele betekenissen

Voor velen is Maria de moeder van Jezus, waaraan we vragen voor ons te bidden. Voor sommigen is Maria meer een symbool, voor anderen een mythe of een vrouw van vlees en bloed. Op de tentoonstelling is ze te zien in al haar verschijningsvormen. Ze is meest afgebeelde vrouw ter wereld;  geschilderd op doek, uitgebeeld in beelden, video-kunstwerken en zelfs als tatoeage. De kunstwerken en afbeeldingen zijn uit diverse musea in Utrecht samengebracht, o.a. uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Museum Boijmans van Beuningen en het Van Gogh Museum. Maar ook bedevaarten en Maria-devotie komen aan de orde, alsmede Maria in relatie tot andere religies. Zo blijkt Maria zelfs meer voor te komen in de Koran dan in de Bijbel (waarin relatief weinig over haar wordt gesproken).

Roosenkrans, Maria Roosen, 2008-2016, courtesy the artist, Galerie Fons Welters, Amsterdam and Roberto Polo Gallery, Brussel
Museum in karmelieten Klooster

Het Catharijneconvent is gevestigd in een prachtig oud kloostercomplex van de Karmelieten in hartje Utrecht, waarvan de eerste bouwwerken dateren uit 1468. In de sfeervolle gangen en gewelven komen de kunstwerken van deze tentoonstelling extra goed tot hun recht. De vaste collectie van het museum staat bekend om de prachtige monstransen, kazuifels en de middeleeuwse collectie beelden en schilderijen. Tevens is er een restaurant en een leuke museumwinkel. De Maria tentoonstelling is een absolute aanrader en nog te zien tot en met 20 augustus 2017. Voor meer informatie: www.catharijneconvent.nl

Woensdag 31 mei 2017
Met de parochie mee naar de tentoonstelling in Utrecht.

De parochies van de Heilige Geest, de Goede Herder en HH Jacobus & Johannes nodigen u uit om op woensdag 31 mei mee te gaan naar Utrecht. Daar wordt de Maria tentoonstelling bezocht en zal priesterstudent Mauricio Meneses de Mariawandeling door de stad begeleiden. Er wordt met de trein naar Utrecht gereisd. De kosten bedragen de treinreis en de toegang tot het museum. U kunt zich opgeven bij Ria van Bemmel; via bem@kpnmail.nl. Vertrekpunt en vertrektijden zullen worden doorgegeven bij opgave.

Richard Wermelink

Dit artikel staat ook in Geestig 4, 2017