“Geestig” is het infoblad van de Heilige Geest parochie. Het wil informeren maar ook inspiratie bieden, catechese en dialoog. Als parochieblad van de samengevoegde geloofsgemeenschappen van de Heilige Geest parochie wil het recht doen aan deze geloofsgemeenschappen en daarnaast het gevoel van eenheid versterken. Sinds januari 2010 bestaat dit blad en verschijnt 8 x per jaar. Op zo’n 5200 adressen in de Heilige Geest parochie wordt het blad bezorgd. Op zo’n 80% van de adressen gebeurt dit inmiddels door vrijwilligers.

VOOR EN DOOR DE PAROCHIE

Met veel plezier en enthousiasme wordt het blad samengesteld door een redactie die bestaat uit Gerard Geurts, Jan Horck, Marianne Koebrugge, Nathalie Mensink, Henk Ogink, Richard Wermelink en José Cornel. Door het afnemen en uitwerken van interviews, het schrijven van artikelen en het verzorgen van verschillende rubrieken levert ieder zijn of haar bijdrage. Voor de pastorale bijdrage zorgt het pastorale team. Daarnaast voeden de secretariaten van de geloofsgemeenschappen het blad met nieuws en informatie vanuit de gemeenschappen, zenden parochianen hun berichten in en steekt onze vaste columniste Cathinka Bloom in elke uitgave een nieuwe lucifer aan.

Heeft u berichten, tips of ideeën mail het ons.
U kunt hier de laatste uitgave downloaden.

 

 

Ook uw mening horen we graag

Wij zijn benieuwd naar uw mening over het blad. Wat vindt u leuk? Wat mist u? Waar ergert u zich aan?

Geef uw mening!

Van een pop een engeltje maken.

Nodig;  pop, witte stof, schaar, knutsellijm, pen, wit papier.

  1. Vouw de stof dubbel.
  2. Leg de pop op de stof en teken een jurk er ruim omheen
  3. Knip de jurk uit
  4. Je hebt nu twee delen, deze lijm je met een klein beetje lijm langs de randen op elkaar.  (Let op dat je de onderkant en de hals niet lijmt.)
  5. Knip de achterkant bij de hals in zodat het hoofd erdoor kan.
  6. Knip uit een dubbel gevouwen papier de vleugels en
  7. lijm deze aan de achterkant van de jurk.
  8. En klaar is je eigen kerstengel!

 

Uit de drukte de stilte in.

(Die oude verhalen zijn zo gek nog niet)

Zondagavond, na het sportjournaal. De bel. “Nou heb ik toch iets gedaan, wat ik nog nooit gedaan heb.” Met deze woorden stond Arjan onaangekondigd voor de deur. “Voordat je gaat vertellen,” zei ik, “kun je het beste eerst maar eens rustig gaan zitten.” Na de koffie kwam hij met zijn verhaal. “Ik had mijn beide boeken van bibliotheek uit. De televisie boeide mij niet. De detectives van mezelf had ik allemaal al gelezen. Toen heb ik wat in de Bijbel zitten bladeren. Ik zou niet weten wanneer ik dat boek voor het laatst heb ingekeken.” Enigszins verbaasd keek ik hem aan. “Neen, ik ga je niets voorlezen. Maar wat mij opviel, en dat komt in meerdere varianten voor, waren de zinnetjes, dat Jesus zich terugtrekt om te bidden, een hele nacht lang, in de stilte, op een berg. Hij moest toen wel een belangrijke beslissing nemen. Maar ook als hij druk was en de mensen zich aan hem opdrongen, een beroep op hem deden, op die momenten na gedane arbeid trok hij zich evengoed terug op een eenzame plaats om te bidden.”
Arjan keek mij aan, wachtend op een reactie. Hij wilde wel een biertje.

Eerste reacties
“In de Bijbel lezen en hier komen om mij te vertellen wat je gelezen hebt, is wel heel apart. En ook nog op zondagavond,” zei ik. Arjan knikte. “Ik bewonder mensen,” zei hij, “die afstand kunnen nemen van hun werk. Die zich terugtrekken uit hun gedoetje, als het ware er even de rem opzetten, voor een ogenblik, voor een paar uur of voor een hele nacht het leven langs zich heen laten gaan. Dat lukt mij niet. Daarom zullen die zinnetjes mij wel geraakt hebben.”
“Nou jij het zegt, bij mij is het niet anders. Het is elke dag meer hollen dan stilstaan. Alles moet direct gebeuren bij mij. Als ze niet per ommegaande reageren op mijn e-mail, irriteert mij dat mateloos. Ik zou niet weten wanneer ik mijn mobieltje heb afgezet. Toen iemand tegen me zei, dat ik een “bereikbaarheidssyndroom” had, werd ik kwaad. Nu tegen jou durf ik wel te bekennen dat hij gelijk had.”

“Jij hoort letterlijk en figuurlijk bij de snelle jongens,” deed Arjan er nog een schepje bovenop. “Toen ik laatst bij je in de auto zat, was het gelijk toeteren als je voorganger bij een stoplicht in alle rust optrok. Het was voor jou nooit snel genoeg.” “Dat klopt” zei ik, “dat ik zo ongeduldig ben, heeft me al een paar keer parten gespeeld. Als ik even gewacht had, de tijd genomen had, in alle rust even met iemand overlegd had, had ik niet zoveel tijd nodig gehad om mijn overhaaste beslissingen weer te corrigeren. Alles was dan sneller en rustiger voor elkaar gekomen. Had ik mij maar meer teruggetrokken in het gebergte, om met jouw zinnen uit de Bijbel te spreken.”

Nabeschouwing
“Wat zalig om op zondagavond zonder op de klok te kijken in alle rust met elkaar te praten.” zei Arjan. “Dat doen we te weinig. Nu ik die zinnetjes wat meer op me laat inwerken,” ging Arjan verder, “ben ik wel erg benieuwd wat die Jesus gebeden heeft, of hij iets gevraagd heeft of dat hij onder het bidden ook in slaap is gevallen.”

“Ik denk, maar misschien reageer ik nu weer te snel, dat hij de woorden in de mond heeft genomen die hij later ook aan zijn vrienden heeft doorgegeven. Die woorden die we nu kennen als het Onzevader.” Zonder elkaar aan te kijken zaten we stilletjes voor ons zelf af te checken of we het Onzevader nog uit ons hoofd kenden. We wisten van elkaar wat we deden en we moesten er om lachen.

“Ik zie dat je op wilt stappen” zei ik. “Als je in de komende tijd weer eens in de bijbel gaat bladeren en weer door een zinnetje of een verhaal geraakt wordt, ben je bij mij van harte welkom. Want die oude verhalen zijn zo gek nog niet, als je er even bij stil staat.”

“Ik ga nu naar huis,” zei Arjan en hij bracht zijn lege glas naar de keuken. “Vanavond nog schrijf ik met een stift op de spiegel in de badkamer: EVEN STIL STAAN BIJ JEZELF IS EEN HELE VOORUITGANG. Dat is dan elke avond en morgen mijn gebed, mijn mantra, mijn checkpoint, of hoe je het maar noemen wilt.”

Gerard Geurts

Dit artikel staat ook in Geestig 5, 2018


Kracht vinden en verder gaan

Mijn ervaringen in Rwanda.

Soms zijn er momenten in je leven die je niet vergeet en regelmatig in je gedachten zijn. Soms ontmoet je mensen die ervaringen hebben die voor mij, ons, haast ondenkbaar zijn. Hoeveel verdriet kan een mens verdragen om toch weer kracht te vinden verder te gaan met het leven. Nog regelmatig gaan mijn gedachten terug naar het bezoek dat ik bracht aan Rwanda in 1996, twee jaar na de genocide die daar plaats vond. Hutu’s en Tutsi’s, mensen die jaren als buren leefden, het dorpsleven met elkaar deelden en kinderen die samen speelden, werden ineens vijanden.

Aanleiding tot de genocide was de moord op president Habyarimana.Ons bezoek vanuit Agriterra had als inzet het inventariseren van de hoogste nood en zo snel mogelijk hulp te bieden. Maar wat moet je in een land dat in totale ontreddering en armoede verkeerd, overal getraumatiseerde mensen die proberen te overleven en weer een leven op te bouwen. Ons eerste bezoek was aan de ambassade voor info over, waar is het veilig, waar nog niet en wat moeten wij weten voor een goed verloop van ons verblijf.

Verwerken van verdriet
Het eerste dorp dat we bezochten bestond voor 90% uit vrouwen en kinderen. De vrouwen bewerkten het land met elkaar om de monden te voeden. Samen op het land werken geeft veiligheid en tijd om je zorgen te delen. Deze vrouwen waren allen weduwe en stonden er alleen voor. En met elkaar kunnen praten helpt bij het verwerken van verdriet. Deze vrouwen moesten het zonder enige hulp zelf klaren, geen sociaal vangnet of wat dan ook. In dit dorp konden we helpen met de aanschaf van een geit om zo de kinderen van melk te voorzien.

De eerste behoeften
Zo reden we van dorp tot dorp en zagen onderweg lange colonnes in roze pakken, dit waren gevangenen die tewerk werden gesteld. Soms werden we aangehouden door soldaten die onze papieren wilden controleren, maar dit gaf geen problemen. Al rijdend door de heuvels, na de eerste indrukken opgedaan en verwerkt te hebben, dringt de omvang van zo’n menselijke ramp tot je door. Er spelen vele gedachten door mijn hoofd maar ook de vraag; hoe kunnen wij het beste helpen, waar hebben deze mensen als eerste behoefte aan, enzovoort?

Altijd weer opstaan
Bij een ander bezoek werden we ontvangen door weer een alleenstaande moeder. Na een hartelijke ontvangst werden we meegenomen naar haar tuintje. Daar liet zij vol trots zien hoe mooi de groenten erbij stonden en hoe mooi haar huisje was. De kinderen weken niet van haar zijde en vonden die witte mensen maar vreemd. Maar het ijs brak na een klein cadeautje, een sleutelhanger.
Achter haar huisje zag ik een grafsteen liggen en ik vond dit wat vreemd. Tijdens ons gesprek vroeg ik of op deze wijze de doden begraven worden. In een normale situatie worden de doden naar de begraafplaats gebracht, vertelde ze. Maar nu haar man en zoon achter het huis vermoord waren wilde zij hen thuishouden. “Dit helpt bij het opvoeden van de kinderen”, aldus de moeder, “want als de kinderen niet luisteren dan zeg ik: pappa ziet alles dus jullie moeten wel luisteren, en dat helpt.” Dit verhaal greep me erg aan maar maakte direct duidelijk hoe sterk deze vrouwen zijn en altijd weer opstaan, hoe zwaar het leven soms ook is.

Marianne Koebrugge

Dit artikel staat ook in Geestig 3, 2018


Vasten & bezinning
Zijn we het echt helemaal kwijt?

De vastentijd herinnert ons aan het verhaal waarin Jezus veertig dagen in de woestijn doorbracht zonder eten en drinken. Het is een waardevolle periode van inkeer, gebed en bezinning en een voorbereiding op het Paasfeest.

Vasten kan gezien worden als ergens van af zien, of je iets onthouden. En tevens betekent het ook om juist iets meer te doen, voor de medemens die het echt nodig heeft. De achterliggende gedachte daarbij was of is: wie vast, houdt geld over en kan dat schenken. Wie niet vast, kan via de Vastenactie toch iets doen voor de minderbedeelden.

Niet typisch katholiek

Deze periode van “Vasten en bezinning” is niet typisch katholiek of Christelijk. Het komt op één of andere manier in veel religies voor; denk aan het Joodse Jom Kipoer of de Ramadan in de Islam. Er is wel een verschil ontstaan in de laatste vijftig jaar: wij als katholieken lijken er weinig waarde meer aan te hechten. Alleen Carnaval is nog overgebleven; de lusten, zonder de lasten en het heeft bijna geen enkele echte binding meer met het Christendom.

Ooit was de veertigdagentijd wel een belangrijk periode, die begon op Aswoensdag en eindigde met het feest van Pasen. In deze veertig dagen (zondagen niet meegerekend) leefde men vroeger heel sober en werd alleen het hoogstnoodzakelijke gegeten. Als katholieken hebben we er weinig of geen aandacht meer voor en we beleven het al helemaal niet meer gemeenschappelijk.

Hoe anders is het bij onze Islamitische landgenoten? Onder de Moslims is de Ramadan nog steeds een belangrijke periode van inkeer, bezinning en vasten. Vrijwel de hele gemeenschap doet daaraan mee, op diverse werkplekken wordt er rekening mee gehouden en de media bericht er uitgebreid over. Een schril contrast met hoe wij ons Christelijke geloof eigenlijk uit het openbare leven hebben verbannen en zo ook de veertigdagentijd.

Bezinningsdagen

Vasten en bezinning: we maken de balans op; hoe solidair zijn we met anderen, welke verantwoordelijkheid nemen wij?  Vasten en bezinning brengt mensen ook bij elkaar. Met name het element van bezinning wordt door menigeen gemist, ook omdat we elkaar er niet meer in stimuleren en het niet gemeenschappelijk wordt opgepakt. Wel worden er op diverse plekken in het land retraites gehouden in de tijd rond Pasen. Ze kunnen bijdragen om bewust en met anderen een moment van bezinning in het leven in te passen. In het aparte kader op deze pagina hebben we er enkele voor u op een rij gezet.

Het nieuwe vasten?

Er lijkt daarmee voorzichtig een beweging op gang te komen dat we het belang en nut van vasten en bezinning weer een beetje gaan inzien. Ook komen ‘modernere’ vormen van vasten in zwang, zoals veertig dagen geen alcohol drinken, veertig dagen geen vlees eten, veertig dagen niet uit-eten of veertig dagen zonder social media. De organisatoren van de landelijke Vastenactie zeggen daarover: “Met vasten probeer je vier dingen te bereiken: een betere omgang met jezelf, met je medemensen, met het milieu en een betere omgang met God.” Het is daarmee een bewuste en mooie voorbereiding op Pasen.

Richard Wermelink

Dit artikel staat ook in Geestig 2, 2018


 

Welkom in de kerk

Wie doet het niet? Als je in het buitenland op vakantie bent even een kerk binnenlopen, soms een kaarsje opsteken maar ook genieten van het interieur en de stilte in de kerk. In de zomermaanden werd met de actie Het Grootste Museum van Nederland aandacht gevraagd voor de schoonheid van de kerken in ons eigen land. Met elkaar vormen deze het grootste museum van Nederland.

Ruimte voor ontmoeting

Te midden van vele andere gebouwen, die gebruikt worden voor bewoning en bedrijvigheid, bieden kerkgebouwen ruimte voor de ontmoeting met God.
Een kerkgebouw is een ‘gezamenlijk project’ van God en van de mens. Door mensen in geloof gebouwd en aan God toegewijd. In de ruimte van de kerk is er de ontmoeting tussen God en de mens, maar ook de samenkomst van de gelovigen als geloofsgemeenschap. De gelovigen zijn de levende stenen die samen de gemeenschap rond de Heer vormen. Bovendien is een kerk een teken van menselijk kunnen in bouwkunst en in gezamenlijkheid: voor God is vaak het mooiste nog niet mooi genoeg.

Maar of een kerkgebouw nu bijzonder mooi is of niet, een kerkgebouw wordt in de loop van de tijd voor mensen bijzonder dierbaar. Wanneer je in een kerk samen de scharniermomenten van het leven in geloof kunt vieren en gedenken in Gods nabijheid, is dat van onuitwisbare betekenis.

Een Open kerk

Veel kerken zijn, om begrijpelijke redenen, buiten de vieringen niet toegankelijk. Toezicht is helaas noodzakelijk. Voor parochies ligt in de kerkopenstelling echter een missionaire kans. Vorig jaar bleek uit een Brits onderzoek dat jeugdigen aangaven dat ze interesse voor het christelijk geloof hadden gekregen na het bezoek aan een historisch belangrijk kerkgebouw. Niet dat dit alles zegt, maar het geeft te denken. Vaak zonder het te beseffen hebben we goud in handen.

Landelijk zijn er een aantal momenten waarop veel kerken geopend zijn. Denk aan de jaarlijkse Open Monumentendag in september. September jongstleden vond ‘Back to Church: Kerkproeverij’ plaats. En in Brabant was eind november een Open Kerkendag.

We beseffen steeds meer dat we de kerken meer moeten openstellen voor bezoek en bezichtiging. Maar doe je dit dagelijks of wekelijks? Op welke dag en welk uur? Is openstelling gedurende marktdagen en op zaterdag- of zondagmiddag een goed idee? Of openstellen als er tegelijkertijd evenementen zijn. Met Kerstmis zijn gelukkig nog veel kerken open en in bijvoorbeeld Hengelo en Borne organiseert men gedurende het jaar CandleNight avonden, waarbij men op straat kaarsjes uitdeelt en mensen uitnodigt deze in de sfeervol verlichte kerk aan te steken. Dit is laagdrempelig en er zijn goede ervaringen mee opgedaan.

Vraag:

Wat vindt u? Voelt u zich welkom in onze kerken? Hoe kunnen we dit verbeteren? Hoe kunnen we een echte Open kerk zijn?
Geef uw reactie

José Cornel

Bron: Bisdom magazine van Bisdom Breda en Bisdom ’s-Hertogenbosch bij gelegenheid van Open Kerkendag 2017

Dit artikel staat ook in Geestig 1, 2018


Kerstverhaal als Google Earth

U kent misschien wel Google Earth, het computerprogramma, waarin je kunt inzoomen op de wereldbol naar het werelddeel, land, provincie, plaats, straat en je uiteindelijk zelfs je eigen auto voor je huis ziet staan. En dat stipje in de achtertuin, ben jij dat?

Inzoomen

Op eenzelfde manier vertelt de evangelist Lukas ons het kerstverhaal. Hij zoomt als het ware langzaam in. Vanuit het centrum van de macht, van de wereldpolitiek, het keizerrijk van Rome, waar steeds meer landen en volkeren ingelijfd worden en mensen geregistreerd en geteld moeten worden, zoomt hij verder in via de landvoogd van Syrië, waar de meest verschillende groeperingen elkaar betwisten, sommigen meeliftend met de welvaart van het Romeinse Rijk, en anderen gewapend vechtend voor de eigen vrijheid. En dan langzaam verder zoomend komt dat kleine plaatsje ergens achteraf, Bethlehem in beeld en dan nog verder…het veld in…een stalletje…een kribbe, een voerbak voor schapen…een kind. Dààr gebeurt het.

Ons licht laten stralen

Daar geschiedt voor hem het meest wezenlijke, waarbij al het andere in de duistere achtergrond verdwijnt: licht in het duister: Een kind wordt ons geboren, gewikkeld in doeken. Een kind, die te midden van al het gedoe in die grote wereld voor 100 % waar maakt, wat Nelson Mandela zoveel eeuwen later uitsprak:

“Het is ons licht, niet onze schaduw, die ons het meest beangstigt. We vragen ons af: Wie ben ik om briljant te zijn, prachtig, talentvol, fantastisch?

Maar wie ben jij om dat niet te zijn? Je bent een kind van God.

Je onbelangrijk voordoen bewijst de wereld geen dienst. (…)

We zijn allemaal bedoeld om te stralen als kinderen. We zijn geboren om de glorie van God, die in ons is, te openbaren. Die is niet alleen maar in sommigen van ons, die is in iedereen.

En als we ons licht laten stralen, nodigen we onbewust anderen uit om hetzelfde te doen. Als we van onze eigen angst bevrijd zijn, bevrijdt onze aanwezigheid vanzelf anderen.”

Als het licht in die kribbe

Het is alsof Lukas al inzoomend ons wil meetrekken naar dat Licht in die kribbe:
In de tijd dat Trump president van Amerika is… met wereldspelers Poetin en Kim Jong-un….naar klimaatafspraken in de Europese Unie… Nederland Rutte 3…vluchtelingen….jouw woonplaats…..jouw straat…jouw huis…..die stoel…het blad Geestig in de hand….JIJ…kind van God.

Je mag het weten. Durf je het te zijn?

Pastor Henk Ogink

Dit artikel staat ook in Geestig 8, 2017


Allerheiligen vieren is waardevol

Het is een prachtig schilderij. Ik heb er een hele tijd naar staan kijken. “De Voorlopers van Christus en de Heiligen en Martelaren”, zo heet het. Het is geschilderd door Fra Angelico (1387-1455) en het hangt in de National Gallery in London.

Voorsprekers

Deze afbeelding is een detail. Minutieus geschilderd, met aandacht voor detail, schitterende kleuren, vooral het blauw springt er echt uit als je het schilderij in het echt ziet. Alle heiligen: mannen, vrouwen, jong oud, vaak met een attribuut waaraan ze te herkennen zijn. De H. Agnes met een lam, de H. Barbara met een toren, H. Antonius met een varken en ga zo maar door. Heiligen in soorten en maten en de Kerk kent er een heleboel. Vele mannen en vrouwen die heilig verklaard zijn. De Kerk is er bij een heiligverklaring van overtuigd, dat die persoon nu reeds deelgenoot is van de heerlijkheid van God de Heer. Het zijn meestal mensen met een bijzondere geschiedenis, een bijzonder verhaal dat getuigt van een groot geloof en vertrouwen in God. De eerste onder alle heiligen is Maria, de Moeder Gods, die door haar vertrouwen in God, Moeder van Zijn Zoon is geworden. Zij is een voorspreekster, zoals alle heiligen dat zijn: wij kunnen hen in gebed aanroepen en vragen om voor ons te bidden bij God.

Naamdag vieren

Door het jaar heen vieren wij de feesten van heiligen. Op 29 september vieren wij de HH. Aartsengelen Gabriël, Michaël en Rafaël; 7 november H. Willibrord; 31 december H. Sylvester en op 25 april de H. Marcus, de heilige naar wie ik vernoemd ben. Op die dag zou ik mijn naamdag kunnen vieren. In sommige landen is het gebruikelijk die dag te vieren en niet je verjaardag. De vieringen van de heiligen zijn een soort van lint dat door het jaar gaat. In vroegere tijden werd vaak de tijdsaanduiding verbonden met de heiligendagen. In sommige akten komt je tegen: “op de woensdag na H. Bartholomeus in 1471”, om maar iets te verzinnen. De viering van de naamdagen van de heiligen bestaat nog steeds, maar is wat naar de achtergrond gedrongen. Heiligen zijn er niet alleen uit het verleden, maar ook uit het heden. Velen kennen het verhaal en de televisiebeelden van bijvoorbeeld de H. Moeder Teresa van Calcutta. Zij is een ‘moderne’ heilige.

Bekende én onbekende heiligen

Het Hoogfeest van Allerheiligen, dat wordt gevierd op 1 november, heeft een bijzondere oorsprong. De Kerk heeft altijd het besef gehad dat er naast de bekende heiligen die wij op de dagen door het jaar heen, gedenken en aanroepen, er ook onbekende heiligen zijn. Al hebben wij bij een groot aantal mensen met een voorbeeldig leven het uitgesproken vermoeden dat zij heilig zijn, uiteindelijk is het God die het oordeel geeft. Daarom zijn er naar de overtuiging van de Kerk vele heiligen die wij niet kennen, die een heilig leven hebben geleid maar die niet bij ons bekend zijn, maar wel bij God. Het hoogfeest van Allerheiligen gedenkt alle heiligen, de bekende, maar juist ook de onbekende. Het feest is daarom ook direct verbonden met de gedachtenis van alle overledenen op 2 november. Op die dag gedenken we niet alleen de overledenen die wij kennen bij name en aan wie wij nog levende herinneringen hebben, maar juist ook al degenen van wie niemand meer weet wie zij waren, maar die wel door God gekend zijn.

Heel de kerk viert

De Kerk is meer dan wat wij zichtbaar kunnen waarnemen. Christenen vormen hier op aarde de Kerk, het Lichaam van Christus, maar het is niet alleen dat. De Kerk omvat ook hen die er eens waren en nu overleden zijn. De Kerk bestaat dus uit Christus die haar Hoofd is, levenden en doden, heiligen en zaligen – bekend en onbekend, van het verleden, nu en in de toekomst. Als wij de Eucharistie vieren, viert de hele Kerk, niet alleen een deeltje, maar het geheel.

Allerheiligen is dus een feest met betekenis. Een feest dat ons duidelijk wil maken dat wij allen geroepen zijn tot heiligheid, tot een leven dat Christus heiligt.

Allerheiligen is een hoogfeest dat het vieren waard is.

Marc Oortman, pastoor

Dit artikel staat ook in Geestig 7, 2017


Van bezoek naar bezoek.

Hij was nu ruim tien jaar met pensioen. Moe maar voldaan was hij net terug van zijn wekelijks bezoek aan Cees. Zij hadden deze middag samen even gewandeld in de tuin van het verpleeghuis. Het afscheid, beter gezegd op een gesloten afdeling Cees aan de deur achterlaten, is voor hem het moeilijkste en pijnlijkste moment van zo’n middag. Dat gezicht van “waarom-mag-ik-niet-mee” staat hem altijd uren voor ogen. 

Een collega

Cees. Hij kende hem al jaren. Samen hadden ze meer dan 25 jaar bij dezelfde baas gewerkt, in hetzelfde bedrijf, achter dezelfde werkbank. En in de kantine hadden ze elke middag samen hun boterhamtrommeltje leeg gegeten. Vrienden hadden ze zich nooit genoemd. Kameraden, vaste maatjes. Ze waren er voor elkaar. Familiair en vertrouwelijk waren ze zelden. Hij had Cees gefeliciteerd met de trouwdag van zijn dochter. Daarover vertelde hij toen met ingehouden enthousiasme wat hij beleefd had in het stadhuis, in de kerk en onder het diner. Hij straalde na de geboorte van zijn kleinzoon. Cornelis. Roepnaam Kees.

Na zijn pensioen had hij wekelijks met hem contact gehouden. De ene keer een uurtje wandelen, zo nu en dan een fietstochtje en bij slecht weer een partijtje biljarten. Maar deze afwisseling was van korte duur. De wekelijkse contacten werden al heel gauw een bezoek aan hem in het ziekenhuis en nu al jaren in het verpleeghuis. Langzaam, heel langzaam, stokte het hedendaagse leven van Cees. Hij luisterde naar zijn verhalen, later alleen nog maar naar zijn woorden over vroeger. Hij merkte ook dat Cees niet meer wist dat zijn vrouw overleden was. Steeds kreeg hij de groeten mee voor haar. Uitleggen, verbeteren en vernieuwen had hij inmiddels uit zijn woordenboek geschrapt. Wel vroeg hij zich steeds vaker af of hij nog iets betekende voor Cees. Wat voor zin zijn wekelijks bezoek had. Hij wist niet wat hem dreef, maar een week overslaan en niet gaan, kon hij niet over zijn hart verkrijgen. 

Meer dan een collega

De laatste maanden was hij begonnen na een bezoek aan Cees iets op te schrijven: hoe lang hij bij Cees was gebleven, wat had Cees gezegd, wat had hem goed gedaan, waar was hij zelf blij om geweest, wat had hem verdriet gedaan, pijnlijk getroffen. In zijn opgeschreven woorden en zinnen zag en hoorde hij Cees. “Het is hier zo stil”. “Niemand”. “Niemand van de fabriek”. “Mama komt.” Toen week in week uit: “Ik ga verhuizen. Ik blijf hier niet lang meer”. Hij had hem gezegd dat hij dan meeging. Kameraden. Aan het gezicht van Cees te zien vond hij dat vanzelfsprekend. Op die bladzijde had hij geschreven: “ik begin te geloven dat mijn bezoek hem goed doet. En mij ook.” De volgende bladzijde hoefde hij niet te lezen. Aan de inktvlek bovenaan wist hij wat hij daar geschreven had. Het gebeurde een paar weken later. Cees wist niet meer wie hem begroette en wat hij kwam doen. “Ik ben uit zijn leven verdwenen; na bijna veertig jaar ben ik een vreemdeling voor hem”. Zo had hij het opgeschreven. Hij had weleens gehoord dat familie en vrienden zoiets hadden meegemaakt: niet meer gekend worden. Maar dat het zo pijnlijk en verdrietig was….en dan tegelijk ook weer die duivelse vraag: wat heeft een bezoekje nu nog voor zin. Een afdoende antwoord had hij niet. Wel dat Cees een deel van zijn leven was geworden. En hij kon en wilde dat deel van zijn leven, de man Cees, niet los laten, alleen laten. Wat hij nog nooit gedaan had, deed hij afgelopen zondag. Hij had in de kerk een kaarsje opgestoken bij het beeld van piëta. Voor Cees had hij gebeden. 

Een vertrouweling

Zijn bezoek aan Cees verliep de laatste tijd in stilte. Cees zei geen woorden meer. Zo nu en dan sloeg hij zijn ogen op. Op zijn kamer stond de radio aan. Klassieke muziek. Geen muziek die hoort bij Cees, voor het leven erelid van de Fanfare Sint Caecilia. Hij zocht en vond een zender met evergreens. Een lichte glans zag hij in de oogopslag van Cees. Het deed hem goed dat hij dit deze middag met Cees beleefd had.

De laatste tijd ging hij niet wekelijks meer naar zijn kameraad. Hij ging nu om de dag. Het waren korte bezoekjes geworden. Zelden nog een oogopslag, als hij Cees begroette en zijn naam noemde. Altijd ging hij naast hem zitten, zijn hand op Cees zijn arm. Zo nabij waren ze elkaar in al die jaren nog nooit geweest. De vraag of deze bezoekjes enige zin hadden, werd voor hem in dit woordeloze contact beantwoord. Wat Cees niet zeggen kon, voelde hij als zeker: hij was iemand voor deze man.

Na een telefoontje van Cees zijn dochter waren zijn bezoekjes overgegaan in een nachtelijk waken. Hij was met de familie één van de vertrouwelingen geworden aan het bed van Cees. Met hen heeft hij gewacht en gewaakt tot Cees tot een ander leven kwam. In de leegte was er voor hem nu niemand meer.

Gerard Geurts

Dit artikel staat ook in Geestig 6, 2017

Op weg gaan

Op weg gaan is een veel gebruikte metafoor voor het menszijn. Het leven is een queeste, een speurtocht. De mens: een reiziger tussen gisteren en morgen, tussen ergens en nergens. Op weg gaan is hitte, koude, vermoeidheid, onwetendheid en kwaad overwinnen. Op stap gaan is de eigen moed ontdekken. Het is de ogen openen, de wereld zien en zichzelf, de wind, de regen, de bomen en bloemen inademen en in voeling treden met de Levende. Op weg gaan is groen, blauw, rood en geel bewonderen, en zijn leven zien en plaatsen in de kleuren van de regenboog. Op weg gaan is de weg van de sterren volgen.

Bedevaart

Op tocht gaan… Het kan op vele wijzen en het gebeurt om vele redenen. Soms gebeurt het uit louter toeristische overwegingen, anderen doen het uit nieuwsgierigheid, weer anderen beschouwen het als een uitdaging. Dagelijks trekken ook hier of daar op onze aarde velen naar bedevaartplaatsen. Hindoes bezoeken de Ganges, Joden trekken naar Jeruzalem, Boeddhisten trekken naar Sarnath gelegen bij Benares, en Moslims gaan op tocht naar Mekka. Wijst dit alles niet op een diepgaande, existentiële nood aan uiteindelijke geborgenheid, zingeving of voltooiing? De bedevaarder zoekt de ‘heilige’ plaatsen op om het ‘heilige’ dat daar aan het licht treedt, te ontmoeten.

Ook christenen gaan op weg. De bedevaarder wordt uitgenodigd zich om te vormen, te vernieuwen, te (her)plaatsen in het spoor van Christus.

Bron van nieuw leven

Op tocht gaan is bron van nieuw leven; sedentair leven betekent zoveel als ‘vastroesten’. Mens zijn is een utopie hebben, van het Griekse ou-topos: geen plaats. Loskomen van het sedentair leven is een moeilijk proces.

Het houdt in: ‘je huis verlaten’, loskomen van wat je hebt opgebouwd, loslaten wat je opslorpt… maar ook nieuw leven krijgen en vinden. Bewegen is meer inherent aan menszijn dan stilstaan. Het bijbels op tocht gaan, is niet een op weg gaan voor zichzelf. Je wordt op weg getrokken samen met de andere en omwille van de andere, gedragen en geroepen door God. Een op weg gaan zonder direct zicht op een bestemming veronderstelt vertrouwen, vertrouwen dat Hij je thuisbrengt.

Nieuwe gemeenschap

De mens onderweg (figuurlijk, maar ook letterlijk) ondergaat een grote verandering. Tijd is geen geld meer, maar overvloedig voorhanden. Ook de simpele dingen komen nu tot hun recht. Bovendien zijn we geen ‘mensen die van alles te doen hebben’; wij worden mensen die met elkaar bestaan. Het zelfbesef verandert grondig. We ‘functioneren’ niet langer, maar beginnen te ‘zijn’. We blijken rijker én kwetsbaarder nu de bescherming van rol en masker weg is. We beseffen ook een beetje wat de tijdgeest ons ontneemt aan levenskansen, aan ontmoeting. Onderweg ervaren we ook: we kunnen niet veel zonder anderen. Een pelgrimstocht bijvoorbeeld is veel meer dan een voorbijgaande mooie ervaring, veel meer dan een vlucht uit druk leven, het is appel  en uitnodiging tot nieuw leven en nieuwe gemeenschap.

Wie echt op weg gaat, weet dat het er niet om gaat zo snel mogelijk een einddoel te bereiken; neen, je ontdekt geleidelijk meer en meer dat het ‘gaan van de Weg’ zélf wezenlijk is.

Jezus

Jezus’ volgelingen worden vanaf de eerste eeuwen ‘mensen van de weg’ genoemd. De dwaasheid van die weg brengt een nieuw weten aan en roept een nieuw bewustzijn op. God gaat wegen met mensen: wegen die we (nog) niet kennen, wegen die wij niet trekken. Geloven is op de eerste plaats een op weg gaan en niet een verzameling van waarheden of leefregels.

(bron: geloven met je voeten,VVKSO,1999)

Jan Horck

Dit artikel staat ook in Geestig 5, 2017

Maria met kind, atelier Adriaen Isenbrant (naam vervaardiger onzeker), ca 1520, Museum Catha- rijneconvent, Utrecht

Hoe Maria dit jaar in Utrecht verscheen.

Al eeuwenlang bezoeken duizenden mensen de bekende bedevaartsoorden. Dat is niets bijzonders.  Wel bijzonder is het, dat dit jaar naar verwachting vele duizenden mensen naar Utrecht trekken om daar Maria te zien.
Maria uit de tijd? Dus niet!

Museum het Catharijneconvent in Utrecht heeft de grootste tentoonstelling uit haar geschiedenis samengesteld, met als thema: Maria. Velen zullen gedacht hebben: is dat nog wel van deze tijd? Ja dus: in de eerste twee maanden na de opening heeft de tentoonstelling al meer dan dertigduizend bezoekers getrokken.

Mondiaal symbool

Wat verklaart het succes? De conservator zegt daarover: “Je komt Maria overal tegen. Kijk op internet, dan zie je Beyoncé als Maria, zwanger tussen de bloemen.  We hebben in deze roerige tijden ook wel behoefte aan geborgenheid, aan een moeder. En misschien wel contact met het ‘hogere’ en daar is Maria de ideale figuur voor.” De tentoonstelling geeft inzicht hoe zeer Maria een mondiaal symbool is voor liefde, vrouw-zijn, gezin, angst, verdriet, troost en bescherming.

Maria als inspiratiebron

Er zijn zeven thema’s te zien: ‘Oermoeders en godinnen’, ‘Oost en West’, ‘Het leven van Maria’, ‘Devotie’, ‘Processies en bedevaarten’, ‘Maria in de hedendaagse kunst’ en ‘Moeders in andere religies’. Maria wordt belicht vanuit verschillende culturele en religieuze perspectieven. De rode draad is haar veelbewogen leven dat verbeeld wordt door beroemde kunstenaars als Rubens, Rembrandt, Jan Toorop, Jan Fabre en Bill Viola. De vertellingen, legendes en volksverhalen over Maria zijn een inspiratiebron voor diverse kunstenaars, van klassiek tot modern, van Gerard Reve tot aan Beyoncé.

Vele betekenissen

Voor velen is Maria de moeder van Jezus, waaraan we vragen voor ons te bidden. Voor sommigen is Maria meer een symbool, voor anderen een mythe of een vrouw van vlees en bloed. Op de tentoonstelling is ze te zien in al haar verschijningsvormen. Ze is meest afgebeelde vrouw ter wereld;  geschilderd op doek, uitgebeeld in beelden, video-kunstwerken en zelfs als tatoeage. De kunstwerken en afbeeldingen zijn uit diverse musea in Utrecht samengebracht, o.a. uit de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Museum Boijmans van Beuningen en het Van Gogh Museum. Maar ook bedevaarten en Maria-devotie komen aan de orde, alsmede Maria in relatie tot andere religies. Zo blijkt Maria zelfs meer voor te komen in de Koran dan in de Bijbel (waarin relatief weinig over haar wordt gesproken).

Roosenkrans, Maria Roosen, 2008-2016, courtesy the artist, Galerie Fons Welters, Amsterdam and Roberto Polo Gallery, Brussel
Museum in karmelieten Klooster

Het Catharijneconvent is gevestigd in een prachtig oud kloostercomplex van de Karmelieten in hartje Utrecht, waarvan de eerste bouwwerken dateren uit 1468. In de sfeervolle gangen en gewelven komen de kunstwerken van deze tentoonstelling extra goed tot hun recht. De vaste collectie van het museum staat bekend om de prachtige monstransen, kazuifels en de middeleeuwse collectie beelden en schilderijen. Tevens is er een restaurant en een leuke museumwinkel. De Maria tentoonstelling is een absolute aanrader en nog te zien tot en met 20 augustus 2017. Voor meer informatie: www.catharijneconvent.nl

Woensdag 31 mei 2017
Met de parochie mee naar de tentoonstelling in Utrecht.

De parochies van de Heilige Geest, de Goede Herder en HH Jacobus & Johannes nodigen u uit om op woensdag 31 mei mee te gaan naar Utrecht. Daar wordt de Maria tentoonstelling bezocht en zal priesterstudent Mauricio Meneses de Mariawandeling door de stad begeleiden. Er wordt met de trein naar Utrecht gereisd. De kosten bedragen de treinreis en de toegang tot het museum. U kunt zich opgeven bij Ria van Bemmel; via bem@kpnmail.nl. Vertrekpunt en vertrektijden zullen worden doorgegeven bij opgave.

Richard Wermelink

Dit artikel staat ook in Geestig 4, 2017